Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Laat de kinderkens tot mij komen”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Laat de kinderkens tot mij komen”.

8 minuten leestijd

Maar Jezus riep diezelve (kinderkens) tot zich, enzeide: aat de kinderkens tot mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het koninkrijk Gods. Lukas 18 : 16.

Er ligt in het vroeg heengaan van de kleinen onder onze kinderkens iets raadselachtigs.. Van de eene zijde 'is 't zoo hard, zoo ze op zeer vroegen leeftijd ons door den dood ontvallen, en toch is er van de andere zijde zoo indrukwekkend veel, dat juist dan hope geeft op hun eeuwige behoudenis.

Op een leeftijd van twee, drie jaren is geheel het geloofsmysterie hun nog een geheimenis, waarvan ze den klank nauwelijks opvingen, maar van den anderen kant wijst toch de Doop er van'meet af op, hoe ze door hun jeugdig sterven in de eeuwige behoudenis.kunnen ingaan.

Men zou zoo zeggen, zulk een wifcht van* twee, drie jaar sterft toph eigenlijk weg, zonder van iets te weten, en zonder ook maar een zweem van inzicht in het eeuwige mysterie ontvangen te hebben. En nog geheimzinniger wordt 't voor ons, zoo we van de kinderkens van twee, drie jaar, op de pusgeborenen en straks wegstervenden van twee, drie maanden terug gaan. En toch ook van dezulken betuigt onze Belijdenis, dat er onder hen zijn, die zonder ooit strijd gekend te hebben, de eeuwige zaligheid ingaan. Heel de kinderdoop rust er op. Niemand zou 't aandurven om te bewerfen, dat allen die zeer jong wegstierven, voor eeuwig verloren - waren. En terwijl van den ééuen kant 't geloof, en dan liefst het gerijpt geloof, als eisch ter zaligheid geldt, kan het met onze kleinen toch niet anders worden opgevat, of ook onder hen zijn er, die door ondoorgrondelijke barmhartigheid, na het leven hier nauwelijks gekend te hebben, de eeuwige zaligheid ingaan. Haast-zou men de bede in zich voelen opkomen, of onze zeer jonge kleinen - vroegtijdig uit het leven mochten worden weggenomen. Soms toch maakt het den indruk van een voorrecht, zoo ze, eer de verleiding ook voor hen wakker wordt, in het eeuwige leven mogen overgaan. Van een jong wicht van twee, drie weken kan nauwelijks gezegd, dat 't in zonde verviel, en het lot van zulk een jong wegstervend Wicht zou men • bijna kunnen benijden. Ook al doen we aan hun erfzonde niets te kort, en ook al kennen we voor zulke wichtjes geen andere behoudenis dan door het zoenoffer van Christus, er wordt hun dan toch zooveel gespaard, dat anders later tot zonde verlokt. En waar van medisch standpunt alle, poging wordt aangewend, om het vroeg sterven van onze jonge kleinen tegen te gaan, zou men hun, geestelijk gezien, hun vroeg uit dit leven verdwijnen bijna kunnen benijden.

Vooral het komen tot Jezus van de kleinen, die hem van zelf als Middelaar nog niet waardeeren konden, heeft hier zoo rijke beteekenis.

Natuurlijk kwamen deze kinderkens niet alleen en niet .uit zich zelf tot Jezus. Hun ouders, bf oudere zusters, geleidden ze naar Jezus. Zoo als Jezus, daai? onder de schare optrad, had. hij iets zeldzaams aantrekkelijks. Jezus boeide door heel zijn verschijning. Jezus had iets beminnelijks in zijn voorkomen. Iets dat aantrok in heel zijn optreden. Zoo lag er niets vreemds in, dat er onder die - kleinen waren, die van Zelf naar Jezus toeliepen.

Vanzelf waren dit geen kleinen van twee, drie maanden, ' maar vermoedelyk van drie, vier jaar. Kleine, maar toch helder bewuste kinderkens, die zich door den een aangetrokken, door den ander afgestooten gevoelden, maar die, als ze met Jezus in aanraking kwamen, bijna niet van Jezus konden afblijven.

En nu is dit het opmerkelijke dat .Jezus tot de ouders, die met deze kleinen tot hem naderden, niet zegt: > Komt met dié kleinen niet tot mij, want die begrijpen toch nog niets van mijn verschijning. Eerst later zullen ze dit verstaan.c Maar dat Jezus, juist omgekeerd, die kleinen vooral tot zich lokt, de ouders juist aandrijft om met die kleinen tot hem te komen, en dat hij, op geheel verrassende wijze, het aan de ouders betuigt, hoe juist die kinderkens meer nog dan de ouders bij hem hoorden, want dat juist derzulken het Koninkrijk van zijn God is.

Ge gevoelt ’t aanstonds, hoe alle binding aan de uitverkiezing, hoe alle innerlijke beschikking over het-eeuwig bestaan der kinderkens hier wegvalt. Met opzet beziet Jezus hier het lot dezer kleinen niet naar luid 't eeuwig raadsbestel, maar geheel naar 't uitwendig verloop der dingen. Jezus denkt er niet aan, te zeggen, dat alle deze kleinen uitverkoren waren, en alzoo de jgeuwige zaligheid gewinnen zouden. Van dit alles rept Jezus niet. Hij spreekt alleen uit, dat er ook onder deze kleinen zoovelen zijn, die beschikt zijn ten eeuwigen leven, en - wijst er nu met nadruk op, hoe ze in hun zeer jonge jaren, den strijd de» levens nog niet kennende, zooveel dichter staaxi bij het Koninkrijk Gods.

In tweeërlei vorm doet zich de toegang tot het eeuwige leven hierbij aan ons voor. Wr kunnen den toegang öf eeniglijk van Gods zijde «beschouwen, en, daarom eeniglijk uitgaan van het raadsbesluit en de verkiezing, oftewel wij kunnen van onzen kant den loop der dingen bezien, en "dan natuurlijk alle geestelijke inspanning laten werken, om onzen God te naderen, zijn heil deelachtig te worden, om als zijn gezaligden in de poorten des Koninkrijks te v/orden toegelaten.

Het eerste lijkt nu wel zeer mystiek, maar in het practische leven hebben we toch uiteraard bijna eeniglijk met het tweede te doen. We spannen ons dan in, om tot het geloof te komen, om dat geloof'reiner en rijker te doen worden, en om, dank zij dit veredeld geloof, een vast bewustzijn in onze ziel te doen rijpen, dat ook onzer de eeuwige zaligheid zal zijn.

Nu stelt Jezus zich hier niet op 't eerste, maar op het tweede standpunt.

De Heere vraagt hier niet, wie al dan niet uitverkoren en ten eeuwigen leven bestemd zijn. Hij slaat zijn zoekend oog op die kinderkens| als we zoo zeggen mogen, van buiten af. Hij neemt de algemeene mogelijkheid aan, dal er ook onder deze kinderkens zijn, die eens ten eeuwigen leven zullen ingaan. En-nu dringt hij er op aan, dat hun ouders of verzorgers van jongsaf deze kinderkens in het heilige zullen inleiden. Immers ook voor hen ontsluit zich de mogelijkheid, dat de eeuwige zaligheid hun deel zal zijn.

Jezus 4et als voor oogen, hoe veelszins de kinderkens geestelijk verwaarloosd worden. Hij hoort 't, hoe ook zijn jongeren die kleinen zelfs van Hem willen afhouden. En met het oog hierop nu stelt Jezus ten grondregel, dat juist die kleinen reeds als kinderkens tot Hem zijn in te leiden, omdat immers ook voor hen het Koninkrijk der hemelen zich ontsluit.

Het is de geheele kinderopvoeding dte Jezus door die ééne machtspreuk heeft willen beheerschen.

Van oudsher werd met de kinderkens niet gerekend, en werd voor de kleinen niet gezorgd. Van teedere opvoeding ook in het geestelijke was bij de kleine kinderkens schier geen sprake. Onder de heidenen niet. Onder de Mohamedanen niet. En onder de Israëlieten slechts zeer ten deele.

Al wat onder de Christenheid zich meer in 't bijzonder op deze geestelijke aaukweeking der kinderkens richt, is dan ook eeniglijk te danken aan hetgeen de Heere Jezus hier sprak, dat ook de kinderkens tot Hem moesten komen, want dat derzulken het Koninkrijk Gods is.

Ten deele zag men dit in de Zondagsscholen, maar toch volstrekt niet enkel daar.

De geestelijke opvoeding der kinderkens is allengs een macht in het leven geworden, en niets pleit meer tegen de vrijdenkers, dan dat ze er op stonden, om in de Openbare school Jezus van de kinderkens 'ssreg te nemen, gelijk dit in ons land nog voor het groöter deel plaats grijpt.

Het valt niet meer te ontkennen, dat de Openbare school het booze middel geweest is, en nog is, om onze kinderkens van Jezus af te houden.

Het sprak dan ook van zelf, dat al wie Christus' minden, in den strijd tegen dat fatale aftrekken van de kinderkens van Jezus satmgingen, en geen offer ontzagen en geen inspanning te groot alchtten, om dit booze kwaad te bannen, en nogmaals deze kleinen, óók door de school, tot Jezus te brengen.

We zijn dan ook gevorderd. Men gaat ook met de kinderschool weer naar Jezus toe. En ook van de lagere school mag dankbaar betuigd, dat ze weer onder de macht komt van hetgeen Jezus gewild heeft, toen hij betuigde: > Laat de kinderkens tot mij komen, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

„Laat de kinderkens tot mij komen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's