Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

38ste Jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, gehouden te Utrecht den lOen en 11en Juli 1918.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

38ste Jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, gehouden te Utrecht den lOen en 11en Juli 1918.

11 minuten leestijd

(Slot.)

Des namiddag» te 2 uur kwamen we weder in Kunsten en Wetenschappen samen. Deze middagvergadering was openbaar. Prof. Dr, R. H. W o 11 j e r zette in een uitvoerig en leerzaam betoog de beteekenis uiteen van het doctoraat in de Ned. letteren.

Na een enkel woord te hebben gewijd aan de nagedachtenis van den overleden hoogleeraar Dr. J. Woltjer, die niet slechts aan de voorbereiding \an het nieuwe doctoraat nog heeft kunnen meewerken, maar bovenal door zijne universeele opvatting der philologie voor principieele beoefening der Nederlandsche letteren den grondslag heeft gelegd, zet de Ref. in de eerste plaats uiteen., wat het doctoraat in de Nederlandsche Letterkunde omvat. Terwijl de V. U. aanvankeiyk om principieele redenen het ongesplitste doctoraat in de Letteren en Wijsbegeerte van vóór de wet van 1876 had behouden, werd zij door de wijziging dier wet in 1905 met het oog op den effectus civilis genoodzaakt, dit ééne doctoraat te vervangen door dat in de klassieke letterkunde, dat in de Semitische letterkunde en dat in de wijsbegeerte. Had van deze drie doctoraten feitelijk alleen het eerste practische beteekenis, thans kan daar het niet minder belangrijke in de Nederlandsche letterkunde aan worden toegevoegd, zoodat dan alleen nog het doctoraat in de taal-en letterkunde van den Oost-Indischen Archipel overblijft. Het ontbreken van scherpbelijnde voorstellingen omtrent den inhoud van het begrip Nederlandsche Letteren geeft niet zelden tot teleurstelling aanleiding, in zooverre een oningewijde daarbij licht min of meer eenzijdig aan de zoogen. fraaie literatuur denkt. In werkelijkheid valt de studie in "^ Nederlandsche letteren in twee groote deelen uiteen: een taal-en letterkundig en een' geschiedkundig gedeelte. In het eerste staat de Nederlandsche taal in hare historische ontwikkeling, als lid der groote Indo-Germaansche taalfamilie, op den voorgrond, het andere omvat de vaderlandsche geschiedenis en de algemeene van de middeleeuwen en den nieuwen tijd; naar de letter der wet hebben deze beide deelen geenszins evengroote beteekenis; in de praktijk komt de studie der geschiedenis hoe langer hoe meer gelijkwaardig naast die van taal en letterkunde te staan; de Vrije Universiteit heeft dit ook in de formuleering der exameneischen zooveel mogelijk uit doen komen, door onder de vakken van het doctoraal examen voor de historici uitdrukkelijk de methodologie der geschiedenis op te nemen.

Het veld van wetenschap dat door deze vakken bestreken wordt, is zóó uitgestrekt, dat op den duur drie docenten het niet zullen kunnen omvatten, en in elk geval het taal-en letterkundige gedeelte zullen moeten worden gescheiden; terwijl daarnaast ook aan de Vrije Universiteit de wetenschappelijke beoefening der moderne talen om voorziening zal gaan roepen. De Nederlandsche taal en letterkunde en de geschiedenis zullen echter steeds 'de hoofdzaak blijven; ' en met name de laatste is voor ons van zóó groot gewicht, dat men zich over de stichting van twee katheders daarvoor van harte moet verheugen: de hierbij gevolgde wijze van splitsing (in de algemeene en vaderlandsche geschiedenis van het begin der Middeleeuwen tot op den vrede van Munster en die van den nieuweren tijd) verdient èn theoretisch èn praktisch het meest aanbeveling. Met het nieuwe doctoraat heeft de Vrije Universiteit weer een gewichtige schrede gezet op den weg die voert naar het ideaal van eene volledige Gereformeerde Hoogeschool. Het voegt ons. God daarvoor ootmoedig te danken.

In de tweede plaats staat de Ref. nader stil bij de vraag, waarin voor ons de beteekenis van het nieuwe doctoraat gelegen is. Deze beteekenis is eene tweevoudige : eene praktische en eene theoretische. De praktische beteekenis bestaat voornamelijk hierin, dat het doctoraat in de Nederlandsche letterkunde de bevoegdheid schenkt tot het geven van onderwijs in de aardrijkskunde, de geschiedenis en de Nederlandsche taal en letterkunde niet alleen aan een Gymnasium, maar ook aan eene H. B. S., en de Vrije Universiteit alzoo thans voor het eerst ook rechtstreeks met het Christelijk Middelbaar Onderwijs in contact komt, een contact waarvan de noodzakelijkheid niet het minst gevoeld wordt door die Christeijke docenten die zelf eene principieele opeiding hebben moeten missen. Het belang hiervan zal ook door hem worden erkend, die niet de H. B. S., maar het Gymnasium als hetdaaeest geschikte opleidings-instituut beschouwt voor Universitaire studie, en daarom ook het totstandkomen van Christelijke Lycea zooals ze thans worden ingericht, niet met onverdeelde sympathie begroet: dat nu ook de leeraren in de genoemde vakken aan de Vrije Umver»iteit hunne opleiding zullen kunnen ontvangen, is inderdaad een feit van buitengewone beteekenis in de annalen onzer Hoogeschool. Ga voortaan dan ook niemand van Gereformeerden huize, die in de Nederlandsche letteren wil studeeren, onze Vrije Universiteit voorbij!

Hetgeen tot dusver over het practische belang van het nieuwe doctoraat werd betoogd, berust op de veronderstelling, dat er inderdaad principieel onderscheid bestaat tusschen de studie der Nederlandsche letteren aan eene Gereformeerde Hoogeschool en die aan eene niet-Gereformeerde. En het is daarom teajslotte noodzakelijk, de-vraag onder de oogen te zien, ofeen zoodanig onderscheid inderdaad aanwezig is, en, zoo ja, waarin het is gelegen. De beantwoording dier vraag kan ons bewaren voor zelfoverschatting, maar ook ons nopen, ons helder rekenschs.p te geven van de draagwijdte onzer beginselen. Moet étan de eene zijde worden erkend, dat er een gemeenschappelijk terrein is, aan de andere zijde springt in het oog, dat, zoodra men dieper doordringt, zich aanstonds verschil openbaart. Reeds in het nadruk leggen op den samenhang, op het algemeene komt een beginsel tot uiting : een vak als de Encyclopaedie der philologie is kenmerkend voor onze Hoogeschool. En cyclopaedisch is de studie der Nederlandsche letteren een onderdeel van de studie der letteren, d.i. der philologie, «ra het algemeen; en derhalve is ook op die studie onze opvatting aangaande de philologie, hare beginselen en hare methode, gelijk die inzonderheid door den hoogleeraar Dr. J. Woltjer in zijn De wetenschap van den Logos uiteengezet is, van toepassing. Volgens die opvatting is de philologie logologie., ^ d.i. zij heeft tot object den menschélijken logos, de menschelijke rede en hare uitingen, echter »niet als op zich zelf staande, maar als beeld en gelijkenis van den eeuwigen Logos, door welken alle dingen in hun onderling verband bfestaan, en verder als in zijne uiting aan de inspiratie en het geheele wereldplan van den eeuwigen Logos gebonden." De eenheid van dien logos niettegenstaande alle variatie bij verschillende volkeren en in onderscheidene perioden, vormt den grondslag der philologische wetenschap.

-Van deze eenheid heeft dus óók de Nederlandsche philologie, uit te gaan; ook zij moet rekening houden met de Schepping van den mensch naar Gods beeld, met de verduistering van den menschélijken jogos door de zonde, met. het potentieele herstel van dien logos in Christus en zijne volkomene herschepping in de eeuwigheid. Met name is het voor haar van belang, het verband met de Oudheid niet uit het oog te verliezen.

Naarmate de philologie den logos zelf tot voorwerp van haar onderzoek maakt, of wel de openbaringen van dien logos in woord en daad, kan men haar in drie onderdeden splitsen-: naast de wijsbegeerte staat aan de eene zijde de philologie in engeren zin., de taal en letterkunde, die de taal en hetgeen daarin geschreven is tot object heeft, aan de andere zijde de historie., die zich bezig houdt met de overlevering van handelingen en feiten, als uitingen van den logos. De beteekenis der Gereformeerde beginselen voor deze beide, voorzoover de studie der Nederlandsche letteren aangaat, Fordt door den Ref. aan de hand van de geschriften van de hoogleeraren J. Woltjer, Kuyper en Bavinck tenslotte uitvoerig uiteengezet. Wat de laatste betreft, wijst hij, na aangetoond te hebben, datobjectieve geschiedschrijving onmogelijkis, erinzonderheid op hoe door ons de historie, wier uitgangspunt de eenheid is van het menschelijk geslacht, van het begin tot het einde teleologisch moet worden opgevat, niet als een zich doelloos ontwikkelend proces, maar als de vervulling van den Raad van God, den Schepper van hemel en aarde, als de worsteling tusschen goed en kwaad, die begonnen is in het Paradijs en uitloopt op de overwinning van den Christus; hij bespreekt de moeilijkheden, die zich bij de toepassing dezer beginselen voordoen, waarschuwt met name voor de constructies der idealistische geschiedbeschouwing, al staat deze zeer zeker dichter bij ons dan de materialistische, en staat eindelijk stil bij de Gereformeerde opvatting der Vaderlandsche historie.

Teiji opzichte van taal en literatuur wijst de Ref. met name op onze zienswijze omtrent wezen en oorsprong van het menschelijke woord en op den invloed der Christelijke denkbeelden bij de beoordeeling der letterkunde. Hij besluit zijn betoog met de uitspraak, dat voor de problemen der taal en de raadselen der historie alleen eene oplossing te vinden is, wanneer de philoloog achter den menschélijken logos de gangen naspeurt van het Goddelijk Woord, dat van den beginne was, en zonder hetwelk geen ding is gemaakt, dat gemaakt is.

De voorzitter bracht den inleider hartelijk dank voor dien» betoog. Bij de gedachtenwisselfng wenschte Prof. Grosheide, naar de gewoonte der Theologen, een toepassing op de inleiding te geven. Daartoe overgaande, meende hij dat uit hetgeen dóór Prof. W. in het midden was gebracht, volgt Ie dat aan de V. U. thans de gelegenheid bestaat om te studeeren voor leeraar in Taal en Geschiedenis aan H. B. S. en Gymnasia; 2e dat verwacht mag worden, dat de ouders voor de opleiding van h^n kinderen voortaan de V. U. de aangewezen inrichting zullen achten. Van de studie onzer jonge mannen in de rechtsgeleerdheid en oude talen aan scholen van andere geestesrichting weten we, waartoe dit verschil in opleiding onder ons vaak leidt. Spr. hoopt, dat de toekomst in dit» opzicht meer eenheid zal toonen (applaus). Ten Se uitte spr. den wensch, dat bestuurderen van Gymnasia en H. B. S., die belang'hebben bij deze uitbreiding van de literarische faculteit, steun en medewerking zullen bieden om de raak in de gewenschte richting te sturen. On» gezamenlijk streven zij ^naar een Geref. opleiding van onze jonge mannen.

Prof. Goslinga dankt den inleider voor zijn waardeerende woorden aan de nieuwe studie gewijd, en stelt die waardeering daarorri zoo op prijs, omdat, naar verwacht mag worden, eerder in de Ned. letteren gestudeerd zal worden dan in klassieke letteren, d9or de betere toekomst die de eerste studie biedt. Na voltooiing toch dezer opleiding staat het leeraarsambt aan een H. B. S. open, terwijl de klassieke letteren voor de Gymnasia vereischt worden.

De aandacht vestigde spr. voorts op de grootere beteekenis die in de toekomst het hooger onderwijs ook voor het lager onderwijs zal krijgen, wanneer in vervulling zal gaan, wat velen wenschen, dat de vorming der onderwijzers aan mannen met een academische opleiding zal toevertrouwd worden.

Prof. Woltjer dankte zijn ambtgenoot/ Prof. Grosheide voor zijn met instemming gegeven toepassing. Ook de opmerkingen van Prof. Goslinga had hij met genoegen gehoord, maar hij meende toch te moeten zetjgen, hoé 't hem altijd getroffen had, dat de litteratoren aan de V. U. om de studie de klassieke letteren gekozen hadden en geen. toekomstoverwegingen lieten gelden.

De vergadering nam na deze discussie een einde.

Prof. Bavinck sprak een kort slotwoord, een woord van dank tot allen die medegewerkt hadden om de jaarvergadering te doen slagen. Bij den Christen eindigt die dank in Hem, van Wien wij weten, dat Zijn hand over alles gaat en aan Wien wij ook de toekomst onzer vereeniging en V. U., in stil vertrouwen op Diens bijstand, overgeven.

De Universiteitsdag werd besloten met een gemeenschappelijken maaltijd, die, de omstandigheden in aanmerking genomen, veel deelnemers vond. Het menu was in overeenstemming met den oorlogstijd en oqk in de toespraken werd die overeenstemming niet gemist. Doch van de tafel-redevoeringen geven we ninimer verslag, hoe interessant ze ook zijn. We vermelden alleen, dat de Voorzitter van de tafel. Prof. B a v i n c k, het volgende telegram voorlas; 5

H. M. de Koningin draagt mij op de Vereeniging van Hooger onderwijs op Geref. grondslag Hoogstderzelver dank te betuigen voor aangeboden gevoelens van hulde en trouw en toegebeden zegenwensch.

(w.g.) Adjudant van Dienst Ruys.

Daaraan knoopte de Voorzitter een bijzonder welsprekend en hartelijk woord vast, om hulde te brengen aan H. M. de Koningin, een heildronk die^staande werd aangehoord endoor de dischgenooten met het zingen van het »Wilhelmus" werd bekrachtigd. Voorts deed Prof. Anema woorden van lof over de Directeuren hooren; de heer Krap stelde de verdiensten van Curatoren in 't licht; de heer Brummelkamp herinnerde aan den arbeid der professoren. Dit alles 'en nog heel veel meer deed zien, dat de oude hartelijke geest nog levend was; wat uit de verdere toespraken, zooals die van Prof. Geesink, die, op uitnood'^ing van mevrouw Brummelkamp—Esser, na het vertrek van Prof.-Bavinck, de tafel presideerde, trouwens overduidelijk bleek.^^

Daarmee eindigde'ook deze Universiteitsdag, een dag van zegen op velerlei gebied, die met nieuwen moed het nieuwe jaar ^tegemoet doet gaan. Moge het zijn een jaar van het welbehagen des Heeren.

Bij Prof. Bavinck is een dankbetuiging ingekomen van Dr. Kuyper voor het hem toegezonden telegram, dat te laat in Den Haag kwam, om nog tijdens de vergadering te Utrecht beantwoord te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juli 1918

De Heraut | 2 Pagina's

38ste Jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, gehouden te Utrecht den lOen en 11en Juli 1918.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juli 1918

De Heraut | 2 Pagina's