„Als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God”.
Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij wel doet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. I Petrus n : 30.
Vooral de apostel Petrus brengt de groote ^loofsvragen telkens op het gewone bijzonder leven over. Zoo hier op de positie van dienstknechten en dienstmaagden, die door hun hëeren en vrouwen op onbillijke, en zelfs onrechtvaardige wijze bejegend worden. Daarbij nu staat het voor dezen apostel vast, dat de dienstknecht niet in verzet mag komen, maa^ zich te onderwerpen heeft, en zulks ni^ alleen indien zijn heer en meester goed en bescheiden tegen hem optreedt, maar ook zoo hij hard te werk gaat en zijn dienstknecht tergt. En die harde uitspraak nu handhaaft en rechtvaardigt de apostel daardoor, dat hij het geval van zulk een mishandelden dienstknecht vergelijkt met het ongerechtvaardigde lijden der geloovigen, ja, meer nog, met het onrechtvaardige lijden, dat de Christus voor zijn volk onderging, om juist daardoor zijn volk fe zaligen.
Dit nu dringt de apostel aldus aan, dat hij betuigt: > Want dit is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.» Een aangrijpende stelling, die hij in dezer voege betoogt, dat hij zegt: > Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover geslagen wordt? Maar, en dit nu is de conclusie van den apostel, maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
Doch bij dit vermaan laat de apostel het niet. Aanstonds toch verwijst hij nu den geloovige, die lijden ondergaat, niet om wat hij verkeerd, maar om wat hij goed en volgens recht deed, naar den Heere Jezus Christus, die immers ook zoo bitter leed juist wijl hij in zijn heiligheid volhardde, > Want hiertoe toch, zegt hij, zijt gij geroepen, "dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt navolgen; hij, die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op 't houtt.
Zoover gaat derhalve de intimiteit, waarmee de apostel het hoogste en het heiligste op ons gewone huiselijk leven overbrengt, dat hij het Klruis van Christus in zijn volle strekking toepast op een huiselijken twist tusschen een heer en zijn dienstbode. Uiteraard is het even goed van toepassing op de groote geschillen tusschen volken en staten, doch dit weet öen ieder wel. Maar hetgeen hier zoo aangrijpend in het oog springt, is dat de apostel zelfs ia een huiselijk geschil tusschen een heer en zijn dienstbode het lijden van den Christus op Golgotha toepast.
Op Golgotha was het een onverdiend lijden van den Zone Gods, en toch verdroeg de Christus het. Welnu, zoo ook moet het, zegt de apostel, in ons persoonlijk en huiselijk saamleven toegaan. Ook al geschiedt ons daarin onrecht, zoo hebben we toch dit onrecht lijdzaam te dulden en te verdragen, iwant zoo ge wel doet en daarover lijdt, dat is genade bij God.
Geheel ditzelfde nu gaat in heel de historie en in heel ons leven door.
Als ge in 't Martelaarsboek leest van de stille geloovigen, die aangegrepen, gevan j gen gezet, mishandeld zijn en op 't schavot den dood stierven, zoudt ge hun dit lot, hoe wreed ook, kunnen benijden, want ge voelt onmiddellijk dat aan deze Martelaars een zalige ingang in bet Vaderhuis ten deel viel. En plaatst ge tegenover deze Martelaren de gelukskinderen dezer wereld, die in overvloed zich baden kon-< 5en, aan krankheid nauwelijks leden, en die daarom tot hun sfétven toe door ^e hen kende en hun lot gadesloeg, benijd werden, dan geeft het Kruis van Golgotha ° deze snijdende bitterheid te verstaan, dat \vie in dit leven slechts weelde en voorspoed kende, geen deel heeft aan den Man van Smarte, noch door zijn offerande op Golgotha kan zijn gered.
Jezus ligt onze redding, doch dan i zult ge u (Jok geen denkbeeldigen Jezus fantaseeren, maar den Christus nemen, gfiljjk^ hij u uit de Evangeliën toespreekt, M die Christus is niet de begenadigde door een rijk en gelukkig levenslot geweest. eeleer omgekeerd was die Christus ge-, peerd in zijn toenaam van den Man van ^marte, en spreekt hij niet in den Troon "r p'^*^''^'J^eid, maar in het Kruis n Golgotha en in de vergieting van zijn ve°kl " *^°^" •^'^ hieruit nu is het te ^en, dat ook de oprecht geloovigen, s D o z v v w e die, ais kinderen Gsds, nauw en innig met den Christus verbonden zijn, in het Kruis het merkteeken van hun aardsche leven vinden. Waar de Christus alzoo lêetl en stierf, moet de geloovige tegenover dat Kruis niet met een ongedeerde levensweelde over staan, maar moet ook hij lijden gelijk Jezus leed, moet hij in dienf Kruis het type van zijn eigen levensbestaan vinden, en moet hij juist daardoor ten slotte de heerlijkheid van den Christus deelachtig worden.
Nu is dit lijden van Gods kinderen, waarin ze door eigen kruis de gemeenschap aan het Kruis van Jezus vinden, allerminst voor allen één, noch ook gelijk in graad van deernis. Ge gevoelt dit reeds aan den Martelaar. Diens lot viel slechts aan weinigen ten deel. Zoo bang is slechts door enkelen het kruis hier op aarde aan den Christus nagedragen. ^
Ook hierin is machtig verschil, dat het lijden van den éénen geloovige voor aller oog in het openbaar wordt gedragen, en dat het levensleed daarentegen bij vele anderen een verborgen lijden in de eigen ziel, of ook een afgeperst lijden in het huisgezin blijft. We zeggen daarom niet, dat ook dit kruis van de eigen ziel, en dat zulk een Golgotha in het eigen huiselijk leven niet bitter en bang kan zijn, maar het mist toch dit naar buiten sprekende karakter, dat door de figuur van Job ons zoo telkens voor den geest wordt geroepen
We zeggen daarom niet, dat een vrouw van haar man, dat een vader van zijn kinderen, dat een man van zaken van zijn hulpen en bedienden, niet eyen bitter lijden kan, maar 't spreekt niet zoo naar buiten. De werel4 hoort er zoo niet van, en geen Jobeïde gaat uit hun lijden de historie in.
Slechts daarom moet op dit meer verborgen en huiselijk lijden hier met te meer nadruk gewezen worden, wijl anders zoo licht de voorstelling insluipt alsof de geloovigen in groote menigte, zonder 't kruis te leeren kennen, zalig de eeuwigheid zouden ingaan.
Dit toch is niet zoo.
Christus en het Kruis van den Christus" blijven alle eeuwen door aan de geloovigen ten voorbeeld gesteld. Er is niets af te dingen op wat de apostel hier zoo kernachtig uitdrukt in 't zeggen: »Want hiertoe zijt ge ook geroepen, wijl ook Christus voor ons geleden _ heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zoudt navolgen, ”
En toch voegt hier voorzichtigheid.
Het mag niet worden een zoeken van het lijden, een zelf zich het lijden berokkenen, gelijk dit vooral in vroegere eeuwen zoo vaak in zuilen-heiligen en in de eigen zoekers van 't bangste lijden gezien is. Het lijden dat ons aan het Kruis-'van den Christus gemeenschap doet erlangen moet ons van ogizen God toekosnen, van Hem die geheel den gang van Ons leven beschikt en die ons de intieme gemeenschap met den Christus en zijn Kruis van zelf ondergaan doet.
Dit nu hangt er natuurlijk van af, of we in ^«ns verkeer en in ons optreden in de wereld, nu ja, ook den Christus^er bij nemen, maar in hoofdzaak tooh in de wereld schitteren willen, dan wel of we met onze diepste zielsbezinning den afkeer van de wereld doorleVea, om eeniglijk in het leven van den Christus op te gaan. Wie met de wereld accoord gaat, en dan, a, den Christus er bij neemt, kent geen lijden om Christus' wil en blijft aan de gemeenschap met het Kruis ten slotte geheel vreemd. Alles hangt er daarom hier van af, of uw afscheiding van de wereld, niet enkel voor het oog van het publiek, maar in uw innerlijk zielsbestaan, zoo beslist en doordringend is, dat ge in de wereld al meer een vreemdeling wordt, om u eeniglijk in den Christus te verliezen, dan wel dat het geloof voor u bijzaak is, en uw hoofdinspanning er zich op richt, om in de wereld de man der wereld te zijn.
Uw Heiland gaf zich voor u in een levenspositie dat de wereld hem-uitwierp, zich van hem afkeerde en hem ten slotte et Kruis oprichtte. Het was de breuke n het Paradijs, die met snijdende belistheid op Golgotha haar triomf vierde. och met het Lama Sabachtani sloeg het m. Daardoor toch was de wereld geoordeeld en triomfeerde de Christus, en oo is 't van zelf ook voor u de levensraag, of ge in dien ommekeer in de positie an uw Heiland, met hem medegingt. Dat il zeggen, of ge zoo wel doet, daè ge r onder lijdt, en hierin de genade van uw God vindt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 augustus 1918
De Heraut | 2 Pagina's