Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Zoo weten we, dat wij de beden berkrijgen”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zoo weten we, dat wij de beden berkrijgen”.

8 minuten leestijd

Ea indien wij weten dat Hj ons verhoort, wat wij ook bidden, loo weten wg, dat wg d« beden rerirggen, die wg nn Hem gebeden hebben. 1. Joh. V : 15.

Aan het slot van zgn eersten brief geeft de apostel Johannes een tweeledige, schijnbaar tegenstrijdige betuiging. In TS. 14 verklaart hij: > Dit is de vrijmoedigheid die wij tot onzen God hebben, dat Hij ons verhoort, zoo wij iets bidden naar zijjien wil*. Maar in het vlak daarop volgendevers heet het: > Indien wg weten, dat God ons verhocrt, vrat "oiij ook bidden, zoo weten wij, dat we de gebeden verkregen die wij van Hem gebeden hebben*. De éene maal wordt alzoo de verhooring op ons gebed ons toegcz^d, mits we bidden naar Gods wil, en vlak daarop wordt de verhoofkig van ons gebed van deze conditie los gemaakt en staat er: »Wat wij ook bidden, we verkrijgen wat wij van Hem gebeden hebben.

In Jacobus v.:14 v.v. wordt even beslist de verhooring van het gebed toegelegd, maar alleen onder bepaalde gegevens. Hier toch is alleen sprake van genezing uit krankheid, en wordt gedoeld niet op het gebed ran den kranke zelven, maar op dfe voorbede van de vooi^angers der Gemeente. > Is iemand krank onder u, zoo toch lezen we daar, dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij voor hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren, en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten.» Ea daarna wijst Jacobus op het gebed van den persoon zelf, wijzende op het voorbeeld van Elia. > Een krachtig gebed des__ rechtvaardigen, zoo heet 't dan, vermag veel.»

Met wat aan Swedenborg een geschiedkundigen naam gaf, met wat de Christian Science beweert, of met het Hypnotisme, o wat dies meer zij, heeft dit zeggen van Johannes en Jacobus uiteraard niets gemeen. Wat hier verzekerd en betuigd wordt, wijst op tweeërlei. Eenerzijds op een roepen tot God om uitredding uit nood of om wondere machtsverleening, en anderzijds op een machtsdaad, èxt. van God uitgaat om hetgene de bede des menschen afsmeekte, daadwerkelijk te dcen geschieden.

Hier nu staat tegenover, dat tal en tal van gebeden in nood en jammer tot God opgezonden, geheel onverhoord bleven. Etenk maar aan 't gebed van den schipbreukeling, aan de vele zieken wier gebed en 't gebed van wier familie onverhoord bleef, en, nog korter gezegd, om de gebeden die we voor ons zelf en voor l onze lieven opzonden, en waar toch geen verhooring op volgde.

Meer nog. De statistiek van ons men-s scfaeiijk leven toont op alle manier, dat de rampen en ongelukken jaar in, jaar uit op vaste wijs terugkeeren. Als men de statistiek in zijn land over een tiental jaren overziet, dan blijft het getal van wie verdronken, van wie doodvielen, van wie overreden werden, steeds bqna gelijk. Elk jaar dat ingaat, kan men, met deze statistiek aan zijn hand, bijna stellig vooruit aangeven, hoevelen er in het komende jaar door val, door brand, door ongeluk'sen met paarden, door vallen in het water, en zoo ook door zelfmoord, hun jammerlijk einde zullen vinden.

Steeds weer ontvangt men den indruk, alsof alle jammer en ellende stelselmatig en vanzelf gaat, en dat evenzoo voorspoed en geluk in dit leven aan een statistieken regei gebonden zijn.

Hieruit nu volgt zoo licht de gedachte: > Waartoe za! 't gebed nog strekken? » Of we bidden oi niet bidden, het gaat toch alles in ons menschelijk leven naar vasten regel toe, en mits men nauwkeurig rekent, is welbezien in den aanvang van het jaar veelal reeds te voorspellen, wat in het jaar dat ingaat, de loop van het leven zal zijn.

Toch neemt dit niet weg, dat de drang tot het gefacd onder alle volk is opgekomen; dat bij schipbreuk of doodsgevaar schier een ieder er de toevlucht toe neemt; en meer nog, dat het Woord Gods er ons steeds toe aanmaant, en dat onze Heiland het gebed als grondslag «telde voor ons godsdienstig leven.

De tegenstrijdigheid die hierin spreekt, is dan ook niet te verhelen. Van den éénea kant is het gebed in jiood en dood een vanzelfsheid, en van den anderen kant geeft aUes ons den indruk, alsof heel ons menscheljgk leven zich met zoo vasten tred langs vaste" lijnen voortbeweeg, dat het, of we bidden of niet bidden, toch doorgaat naar wat God eigenmachtig beschikt.

Het is niet anders in te zien, en de Schrift leert het oas niet anders, of het gaat al, heel de historie door, naar Gods bestel. Ware dit niet zoo, en kon een geloovig bidder op elk gegeven oogenblik het kwade afwenden of het goede dóen komen, zoo zou het almachtig Godsbestuur ten slotte van de bidders afhangen. Heel het wereidverloop zou dan niet gaan naar ' Gods wil en wetenschap, maar de bidders zouden het keer op keer in hun macht hebben, heel de historie om te keeren en den loop van het leven der wereld in zijn tegendeel om zetten.

Met namee onze Gereformeerde vaderen hebben tegen deze loszinnige gedachte dan ook steeds verzet aangeteekend, en vrijuit mag gezegd, dat niet wat de Pelagiaan voorgaf, maar dat eenfgigk wat de Calvinist beleed, ons den sleutel bood om het mysterie van het leven te ontsluiten. De wetenschap bevestigt steeds meer de faeüjdenis van den Calvinist, en werpt telkens weer onherroepelijk de bewering van den Pelagiaan of Arminiaan omver.

De oplossing dezer schijnbare tegenstrqdigheid ligt dan ook eeniglijk 'nierin, dat we de tqdsbepaling verstaan moeten als niet het leven Gods beheerschende, maar als door onzen God ingesteld als een hulpmiddel, om het creatuurlijk leven in saamhangende orde te doen verFoopen. > Duizend jaren zijn bij onzen God als één dag, en één dag is als duizend jaren». De jaren, weken, dagen, uren, seconden zijn een levensvorm die voor ons onmisbaar was, en dien God uit louter genade voor ons verordend heeft, maar is der eeuwen eeuwigheid die aan Genesis I vers één voorafging, was er geen tijd, en ook na het intreden van de Schepping is Gods doen op geen manier voor zijn aanzgn in tijd en tijden verdeeld. Hij is en blijft in zich zelf de Eeuwige van eeuwigheid af en het leven - in onze wereld gaat al door, niet aan onze tij ds wisseling, maar eeniglgk aan zgn bestel gebonden.

Voor ons menschen nu hangt 't er maar van af, of we in oas diep verborgen zielsleven al dan niet ons naar den gang van-'t leven en doen van onzen God be­ l egen. Staan we daarbuiten, of beweegt ons leven zich, althans ten deele, buiten God om, dan is er strijd tüsschen Gods f bestel en ons doen, en kannen we de f zalige vreugde niet smaken, dat we bid­ f den en op ons gebed verhooring erlangen.

Het bidden als oppervlakkig en uitwendig prevelen mist alle geestelijke beteekenis. Doch zóó moet ons bidden ook niet zijn. Ons bidden moet opkomen uit een zielsleven, dat in de diepste verborgenheid met het leven Gcds innig één '\a. En al moge er ook bij aanvang van welke worsteling ook nog altoos strijd tusschen Gods bestel en ons gebed heerschen, door het geloof verdwijnt dit. De ziel keert zich niet naar buiten, maar naar binnen. Zoo wordt haar band met Gods wil steeds inniger aangetrokken. Ea dan komt ten leste het zalig oogenblik, dat HÏt God de bede in ons verwekt wordt, die, geheel conform zijn wQ en bestel, ons vragen, bidden en smeeken doet, wat God ons ingeeft, en ingeeft, door onze worsteling heen, conform wat Hij over ons gehengd heeft.

Zoo komt ’t dan volkomen neer op VS. 14 en 15 in hun samenhang. Eerst heet 't dan: »Wg zijn verzekerd, dat Hij ons verhoort, zoo wij iets bidden naar zijn wil», en vlak daarop volgt dan: »wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden. n zoo weten wc dan, > dat we de gebeden verkrijgen, die we hem bidden ».

Elke tijdsberekening valt dan weg. God trekt heel onze ziel naar zich toe, en doet onzen wil in zgn wil wegzinken. Niet machinaal of werktuigelgk, maar in diep geestelijken zin wordt dan het besef zelf van onze ziel in het bestel van onzen God opgenomen. 2k)o overwinnen we den strijd die eens tusschen Gods bestel en ons besef oprees.-En het einde isf dat we et een rijk geloofsleven inleven in onzen od, en dat Hij ons 't gebed geeft, aarin we onze ziel voor Hem uitstorten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1918

De Heraut | 2 Pagina's

„Zoo weten we, dat wij de beden berkrijgen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1918

De Heraut | 2 Pagina's