Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

VELERLEI WEGEN.

XXXVIII.

NIEUWE DINGEN.

Geruimen tijd bracht Reinier nog door op 't kantoor, wel niet met lust maar toch volijverig, overtuigd dat hij ook hier een taak vervulde hem van den Heere opgedragen.

Maar vergeten deed hij toch zijn lievelingsplan niet. Telkens bad hij in stilte, dat hem nog eens vergund mocht worden zijn wensch verwezenlijkt te zien, te meer daar hij zich in zijn tegenwoordige omgeving al minder t'huis voelde.

Nu hij meer vrijen tijd had dan vroeger besloot hij vooreerst zich te wijden aan het onderzoek van Gods Woord. Daarin toch vond hij zijn lust en leven. Bovendien wist hij hoe de Psalmist zegt: Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.. Tevens kon wat hij nu opzamelde en onderzocht, hem later nog van grooten dienst zijn.

Als het 'sHeeren tijd is zal Hij u dat oók duidelijk maken dacht hij. En zoo geschiedde het op ongedachte wijs.

Er kwam namelijk een brief uit Nederland, die Reinier de tijding bracht dat een oom van hem was gestorven en hem een zeer aanzienlijk vermogen had nagelaten, op deze voorwaarde dat de neef zich zou wijden aan een of ander studievak, om-dan later zijn leven daarin nuttig te besteden. Waarin hij studeeren zou en hoe bleef aan Karel overgelaten. Diens ouders waren wegens een geschil met den oom onterfd. Toen Reinier den brief gelezen had, kwamen hem de tranen in de Óogen. Maar het waren 'tranen van vreugde en dankbaarheid. Zijn gebed was op 's Heeren tijd verhoord, en dat op geheel ongedachte wijs. Thans kon hij aan zijn lang gekoesterd voornemen voldoen. Zijn hart jubelde terwijl hij den Heere dankte die hem zoo den weg effende, en alles wel maakte. Hij draalde niet terug te schrijven dat hij de gestelde voorwaarde aanvaardde. Weldra kwam nu de zaak in orde.

En wat denkt ge nu te doen ? " vroeg de heer Winter, toen hij hem alles had meegedeeld. »Ik geloof", was het antwoord, »dat de Heere mij zelf den weg wijst, dien ik te gaan heb. Gij weet dat mijn lust was in Zijn grooten wijngaard te werken. Doch de gelegenheid ontbrak, en u riedt mij aan des Heeren tijd af te wachten. Nu heeft Hij op eens mij alles ge makkelijk gemaakt. Ik heb niet noodig te werken voor mijn brood, ik kan arbeiden naar' de begeerte mijns harten, en de bepaling van mijn oom omtrent de studie is juist wat ik wensch. Mag ik dan niet zeggen, dit is van den Heere geschied, en het wonderlijk in onze öbgen". Mijnheer Winter moest toestemmen, dathierin waarheid lag.

Na onderling overleg werd besloten, dat Reinier zich eerst zooveel mogelijk zou bekwamen, in al wat noodig was voor het doel dat hij beoogde.

Een geloovig leeraar verklaarde zich bereid hem daarin behulpzaam te zijn. En zoo 'werkte en studeerde Karel twee jaren lang. Toen was hij ver genoeg gevorderd om zich bepaald voor Zendeling te gaan bekwamen. Dat te wezen was toch zijn eigenlijk doel.

Maar toen het zoo ver zou komen, deden rich allerlei moeilijkheden op. Karel^ wenschte namelijk te arbeiden in den dienst ^i»! de^erk of van eenig genootschap. Nu was het ecKter in dien tijd zoo gesteld, dat geen enkele kerk eigenlijke zendelingen uitzond, wel hulppredikers en predikanten, maar die kon men geen zendelingen noemen en werden ook niet als zoodanig beschouwd. Zendelingen gingen uit voor genootschappen. Jonge menschen werden in Nederland opgeleid, en nadat hun bekwaamheid gebleken was uitgezonden. Gedeeltelijk is die toestand nog zoo. Alleen zijn in latere jaren ook verschillende kerken begonnen leeraars en zendelingen uit te zenden.

Wat Reinier ook deed, hij slaagde er niet in te verkrijgen wat hij wenichte. Da kerk kon hem nog niet helpen, en de genoot«chappen «n vereenigingen wilden dat hij zich in het vaderland zou voorbereiden, waarschijnlijk nog jaren lang.

Hiertoe nu kon Karel niet besluiten. Zijn voortvarend karakter" kwam er tegen'^p. Ook waren, er allerlei andere bezwaren te veel om hier, /é'p te sommen. Het slot van de zaak was dat Reinier besloot op eigen gelegenheid te gaan arbeiden en te zien wat hij zelf doen kon. Of dit besluit het beste was viel moeilijk uit te maken. Zeker is dat dt Jieer Winter het goedkeurde.

Maar tusschen besluiten en uitvoeren liggen soms veel mijlen, en zoo ging het ook hitr. Althans er verliepen maanden eer Reinier kans zag in de streek waar hij than^woonde iets uit te voeren, dat met zijn plannen in verband stond. Eindelijk echter kreeg hij een gedachte, die naar de voortvarendheid, die hij in alles toonde, ook zoodra mogelijk werd uitgevoerd.

Op zijn wandelingen had het hem namelijk dikwijls getroffen, hoeveel jonge kinderen hij daar buiten ontmoete. Zij speelden in troepjes langs den weg of zwierven hier en daar rond. Meermalen had hij even met zulke kinderen gesproken ook over hen gepraat met menschen die lang op Java gewoond hadden. Uit het een en ander vernam hij, dat die kinderen den langen lieven dag eigenlijk geen bezigheid hadden. Soms konden zij hun ouders een weinig helpen, maar meest was het niet noodig. Dan brachten de kleinen hun tijd in ledigheid door, en werd het spreekwoord bewaarheid: ledigheid is des duivels oorkussen.

Om zulke kinderen bekommerde zich in dien tijd nog niemand, trouwens hun eigen ouders ook niet. 't Is duidelijk dat zulk een leven de kinderen tot niets goeds leidde. Zij groeiden op even onwetend als de varkens bij hun woningen. Van iets te leeren, al was het maar een beetje lezen, was geen sprake. De kinderen vroegen er van zelf niet om, en den ouders was het volkomen onverschillig of hun kinderen wat leerden of niet.

Dit alles hoorde Reinier en hij vond het terecht droevig. Maar het treurigste was wel, dat geen van deze kinderen ooit hoorde van den Heiland van zondaren. Sommige hadden Mohamedaansche ouder»; anderen kwamen uit bepaald Heidensche gezinnen. Maar hoe het zijn mocht, eigenlijk was bij allen de onkunde even groot. Van God, gelijk Hij ons in den Bijbel wordt geopenbaard, van Christus onzen Zaligmaker, vernamen deze arme kinderen niets.

Terecht vond Reinier dat het zoo niet blijven mocht. Maar wat er aan te doen? Hij sprak er over met een paar. vrienden, en schreef brieven aan anderen. Doch het baatte niet veel. Niemand wist raad te schaffen. En zoo bleef niets over dan dat Reinier hier zelf de hand aan den ploeg zou slaan. Hij kwam tot het besluit dat het best zou wezen de kinderen eenige uren daags nuttig bezig te houden, dus een soort 'van school te stichten. Maar hoe aan leerlingen en vooral aan een geschikten onderwijzer te komen? Doch ook hierin zou de Heere voorzien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1918

De Heraut | 2 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1918

De Heraut | 2 Pagina's