Voor Kinderen.
VELERLEI WEGEN,
XXXIX.
EEN STAP VERDER.
Dicht bij zijn woning lag een koffie-plantage, waar honderden Inlanders op werkten. Reinier zag hen dagelijks, doch hadt zelden gelegenheid met hen in aanraking te komen. Die lieden hadden ook kinderen, vele zelfs, doch die opgroeiden, gelijk ik zoo even zei, zonder iets te leeren, zonder kennis van God en Zijn gebod. Zij speelden of twistten met elkaar, zwierven door het bosch, gingen op hun manier ter jacht en vischvangst en brachten kort gezegd den dag door gelijk zij wilden. Dit nu had Reinier meermalen opgemerkt-en de gedachte was bij hem opgekomen of voor deze kinderen niet iets kon gedaan worden. Maar wat en hoe?
Hij wist het niet. Doch op zekeren dag moest hij den directeur der plantage spreken. Ongezocht kwam het gesprek ook op de vele rondloopende kinderen. De directeur bemoeide zich weinig met hen, en keek verwonderd op dat Reinier anders deed, althans toonde in hen belang te stellen.
„En wat zoudt u dan willen? c vroeg de directeur. »Wel« was het antwoord, > ik zou dien kinderen iets nuttigs te doen willen geven, en hen wat laten leeren.
»Maar mijnheer hefiijn geen Europeesche kinderen. Waarvoor zullen ze wat leeren? Werk en voedsel zal hun naderhand toch niet ontbreken. Of zij lezen en schrijven kunnen doet er minder toe. Hun ouders kunnen het ook niet.
Reinier gaf niet rechtstreeks antwoord, maar zeide alleen:
Ik bedoel loo iets als een school.» »Welnu» sprak de directeur de schouders ophalend „ga uw gang. Baat het niet het schaadt niet. Misschien hebben we dan minder last van dat kleine volkje. In elk geval wil ik gaarne meewerken tot uitvoering van uw plan. Kan ik er iets voor doen?
Zekert, sprak Reinier, > u kunt de werklieden waarvan de meesten kinderen hebben op de school wijzen, zoodra er een geschikte gelegenheid voor gevonden is. Dat kan veel helpen.» »Ik hoop iets op hen uit te werken. Ze hebben ontzag voor mij.» »Ik zou het liefst zonder dwang doen, » zei Reinier. > Het best zou zijn dat ouders en kinderen lust in de zaak kregen." „Natuurlijk; ofschoon.... Maar we zullen zien." Nog eenige afspraken werden gemaakt, en toen vertrok Reinier. Op den terugweg dankte hij den Heere, die hem naar het scheen thans een deur geopend had.
De eerste vraag nu was, waar een plaats te vinden om de kinderen te ontvangen, die men hoopte, dat komen zouden, 't ging kwalijk aan een school te bouwen, als onzeker was of er ooit leerlingen zouden komen. Doch er werd raad gevonden. Op de plantage stond een groote stal of schuur al een tijd lang ongebruikt, het kostte niet veel geld en moeite dat gebouw voor de jeugd in te richtten, te meer daar de jongelui naar landsgebruik niet op banken, maar plat op den grond zouden zitten. Veel schoolbehoeften had men vooreerst niet noodig.
Maar hoe aan de leerlingen, te komen? Met de ouders te gaan spreken, hun te vragen hün kinderen te zenden zou weinig baten. Ze zouden zeker ja. hebtien gezegd en alle hulp beloofd, doch ten slotte alles aan hun kinderen zelf hebben overgelaten. Hadden die lust goed, zoo niet, ook goed.
Zoo bleef dan niets over dan de kinderen zelf te lokken, die tot nog toe zich altijd erg schuw betoonden jegens alle blanken. Maar waar een wil is, is een weg. Dat bleek ook hier.
Reinier hield eenige inlaridsche bedienden die met de kinderen vrij gemeenzaam waren. Nu kocht hij een hoeveelheid seheepsbeschuit, liet die in kleine stukken breken, en zei zijn bedienden dat ze die aan de jeugd mochten uitdeeleti. Gewoonlijk kwamen er eiken morgen groepjes inlandsche kinderen het huis voorbij, en van deze moest men het vertrouwen zien te winnen.
Eenige 'dagen werd de proef , "genomen. De bedienden deden dit echter vrij onhandig. Ze wierpen namelijk de stukjes beschuit te grabbel toen een troepje kinderen voorbij kwamen. Natuurlijk ontstond er een algemeene vechtpartij, wel niet zoo heftig als soms onder Hollandsche straatjongens, maar toch voldoende om temaken, dat de eene niets en de ander veel kreeg.
Dat het zoo niet lukken zou was duidelijk. Wel zwierven er na een paar dagen veel meer kinderen dan vroeger om het huis, maar dat gaf niet veel daar zij "wegliepen als men hen naderde. Zoo besloot Reinier eenige der kinderen in een bijgebouwtje op de beschuit te onthalen, en dan zoo mogefijk met hen te praten. Na een week was het zoover dat 'een twintigtal kinderen zich in 'het huis waagden. Doch van praten kwam niet veel. Zoodra de. uitdeeling had plaats gevonden, lieten de bruine kinderen den blanken man alleen staan.
Dit was natuurlijk'de bedoeling niet, en het werd de ernstige vraag voor Reinier hoe het verder aan te leggen. Hij bad den Heere om licht en wijsheid, en zie op ongedachte wijs werd zijn gebed verhoord. Hij ontving namelijk een brief van een inlandschen onderwijzer die van het plan gehoord had. Deze man, uit het heidendom tot Christus bekeerd, had zich lang bezig gehouden met het geven van onderwijs aan inlandsche kinderen en deed dit nog. Maar om zijn gezondheid wenschte hij thans voor een poos in een andere streek te wonen, en bood aan Reinier te komen helpen.
Het was begrijpelijk dat Reinier hierin de leiding des Heeren zag, en den onderwijzer uitnoodigde zoo spoedig mogelijk te komen. En daar Reinier, gelijk wij weten, over ruime middelen beschikte, duurde het niet lang of de onderwijzer was er. Daarmede was een groote stap ge'daan om "het goede plan te verwezenlijken. De onderwijzer zou vooreerst in Reiniers huis wonen, en dezen in de volkstaal onderwijzen, die hij nog weinig verstaan en nog minder spreken kon.
Op een morgen plaatste zich de onderwijzer aan de deur op den uitkijk. Weldra bemerkte hij een jongen die naderbij kwam. Hij wenkte hem en de jongen was zoo goed niet weg te loopen. Nu vertelde de onderwijzer den knaap dat hij ditmaal in een huis van mijnheer mocht komen, mits hij zijn vrindjes ging roepen en meebracht. De jongen beloofde het, en kwarn weldra terug met een dozijn andere knapen die allen nieuwsgierig waren wat er gebeuren zou. Om de waarheid te zeggen, dat waren de onderwijzer en mijnheer Reinier ook. Het was een begin en in stilte baden zij den Heere, dat Hij de harten der kinderen mocht neigen en zoo het werk voorspoedig maken.
BRIEFWISSELING.
Enkele vragen krijgen eerlang, zoo wij hopen, een beurt. Duidelijkheid wordt zeer aanbevolen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1918
De Heraut | 2 Pagina's