Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„Doch gij hebt de zalbingban den Heilige.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Doch gij hebt de zalbingban den Heilige.”

6 minuten leestijd

Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. 1 Joh. Il : 20.

De zalving-sprak de eerste Christenen in het Heilige land veel sterker toe dan ons.

In het Oosten wa.s het volkomen begrijpelijk, dat Maria, de zuster van Lazarus, die Jezus ten hoegste vereerde, > eeh pofld zalf nam v^n onvervalschten, zeer kostelij ken nardus, en hiermede de voeten van Jezus zalfde, zoodat heel het huis vervuld werd met den reuk der zalf.”

Zulke zalvingen, zij 't al min kostbaar, waren in het Oosten gebruikelijk, op vasten voet gebruikelijk, gelijk ons dit met name van den Hoogepriester in Psalm 133 wordt betuigd. Het in liefde samenwonen', zoo heet het daar, is > gelijk de kostelijke olie, die' nederdaalt op het hoofd en op den baard van Aaron, ja, tot op den zoom zijner kleederen.

Onder ons bestaat gelijk gebruik niet meer. Ten hoogste kwam ze nog een enkel maal voor bij de kroning der Vorsten, met name in Frankrijk. Dit komt van 't verschil van huidtint in het Oosten en in het Westen. In het Oosten, en zoo ook in onze Koloniën, is de tint van de huid meest vaal en dof, terwijl in ons Westen die vervaling van de huid-tint eerst met den ouden dag komt. Vooral wie nog jong is, heeft bij ons iets dat veeleer blinkt en glimt. En al is 't nu, dat de ijdelheid niet weinige vrouwen verleidt om de huid van het aangezicht en de vlokken van het hoofdhaar met sterker sprekende tint te sieren, toch blijven dit uitzonderingen, en de gewone levenskleur en haartint voldoet - ten volle. Ligt het nu aan de grootere hitte, dat deze bezielde tint in het Oosten ontbreekt, dan is 'het alleszins begrijpelijk, dat men ook in Palestina de gewoonte kende, om aan de ontbloote leden van het donzige lichaam door een zalf, en dan liefst van rijken geur, een meer bezielende tint te leenen.

Dit nu heeft die vrouw ook aan Jezus gedaan, en Jezus liet 't toe en prees er haar om.

Deze zalving nu gaat tot op de eerste geheimnissen der Schepping terug. - Uit zich zelve was de pas geschapen aarde niet alleen woest en ledig, maar er staat ook bij, dat > er duisternis was op den afgrond*, en toen was het de eerste nadere scheppingsdaad, dat God zeide: > Daar zij licht, en dat er licht was.* Iets wat uiteraard een mededeeling inhield van wat uit God toekwam aan zija Schepping.

Van den Heere onzen God, en van zijn troon, hooren we steeds op nieuw, dat 't al één glans en heerlijkheid was. Die glans straalde evenzoo uit bij de verheerlijking van den Christus op der^ berg. Het licht brengt ons den dag, en als 't volle duister om ons heen wordt, is het nacht. En overvalt ons een geweldige donder, dan ondergaan we soortgelijke verdonkering, en is 't nogmaals of onze God zich van ons terugtrekt, en ons aan onze eigen donkerheid overgeeft.

De aarde uit zich zelf is donker, en als 't licht gaat glansen hier beneden, dan is dit alleen, omdat God 't ons uit zijn zon laat toaitralen.

Van de nieuwe aarde, onder , den nieuwen hemel, die in de Voleinding te komen staat, wordt in het hemelsche, nieuwe Jerusalem dan ook niets dan glans en gloed en heerlijkheid gemeld.

Hij voerde mij weg in den geest, zoo lezen we in Johannes, op een hoogen berg, en toonde mij de groote stad, het heilige Jerusalem, nederdalende uit den hemel van God, en haar licht was den allerkostelijksien steen gelijk, als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal.

In het edelgesteente spreekt nog die hemelsche glans ons toe. Twaalf edelgesteenten worden dan ook opgesomd voor de twaalf fondamenten van het nieuwe Jerusalem, van de Jaspis tot de Amethyst. Elk der twaalf poorten was uit één parel, en de straat der stad was van goud, gelijk doorzichtig glas.

Zoo is het daarboven, alles saamgenomen, ééne doorluchtige heerlijkheid, en tegenover dien glans en gloed van Boven staat onze aarde en al 't menschelijke als in zichzelf duister en donker, en alleen bij bestraling van Boven deelende in de heerlijkheid die Gods troon doet schitteren. En het is nu deze hemelsche heerlijkheid, die onder de geloovigen door de zalving werd afgebeeld. Het is dan ook hierop terugslaande, dat Johannes aan de geloovigen in zijn Gemeenten schrijft: »Gij hebt de zalving van den Heilige*, en nogmaals in het 27e vers herhaalt: "wDe zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.« Waar hij dan ten slotte aan toevoegt: > Gelijk die zalving u leert van alle dingen, zoo is hij ook waarachtig.

Hier komt dus de zalving aan de orde niet als een overgieting met nardus, maar als een innerlijk verrijkt worden met geestelijke nardus, en het is die zalving van eeuwigen duur, diezichin'toogenbiikzelfvan onze wedergeboorte in het diepst van ons ingewand, ja tot in onze nieren indringt.

Van deze geestelijke soort nu was ook de zalving, die onder Israël^ in zwang was, en die steeds de hoogepriester, en straks Jezus zelf en Maria ondergingen, de zinlijke afbeelding.

Die geestelijke zalving kan een kindeke ondergaan, dat kort na zijn geboorte sterft, tien zonder die geestelijke inwendige zalving is nooit één menschenkind bij zijn sterven ter zaligheid ingegaan.

Die zalving is een mysterie, zoo zelfs dat ze in ons kan dringen, zonder dat we er ons bewust van zijn. Er grijpt dan een verborgen actie in ons inwendig gemoedsleven plaats. Dat komt ons van geen vader of moeder, noch ook van eenig prediker toe. Die mogen er zijdelings toe medewerken, doc; ^ ook dan zijn ze niets dan instrumenten, waarvan God zich bedient om ons de Goddelijke zalving in het verborgenste van ons innerlijk aanzijn te doen toekomen. Het is en blijft onveranderlijk en bij eiken gezaligde steeds God zelf, die ons met deze zalving verrijkt en voor eeuwig zaligt. Het is, zooals Johannes betuigt, een zalving niet van menschen, maar de zalving van den Heilige. Het is een kiem van geheel nieuw leven, die in hét verborgene van ons innerlijk wezen uit de door den Heilige in ons ingedragen zaadkorrel geheel ongedacht en onverwacht opschiet. Zelfs jaren kunnen dan voorbijgaan, eer dit in ons gebeurde tot ons bewustzijn doordringt. Bij den één zal dit heel anders toegaan, dan bij zijn naaste. Immers het is geen zalving der menschen, doch een zalving die ons eeniglijk van den Heilige toekomt, en waarbij geen enkele werking zich denken laat, die anders dan van God zelf in ons kan uitgaan.

Dr. A. K,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 september 1918

De Heraut | 2 Pagina's

„Doch gij hebt de zalbingban den Heilige.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 september 1918

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken