Buitenland.
Ditschland.Een roepstem van eene Duitschevrouw.
Het is te verstaan dat, nu Duitschland zulk een ernstige crisis doorleeft, er stemmen opgaan die manen tot gebed. Wij lazen een schrijven van eene »Duitsche vrouwe, welke in deze donkere" ure »waarin de wijzers van het uurwerk Gods op middernacht staan c, haar volk maant Ach. tot den Heere te wenden met een verslagen hart, om in te stemmen met d.e boetpkreet van de oude Kerk: > Mijne schuld, mijnq schuld, mijne zeer groote schuld < .
Waarover heeft men boete te doen? De schrijfster stelt als antwoord eenige vragen.
«Hebben wij den tijd van den oorlog doorleefd, gelijk wij dien moesten doorleven in zijn diep ernstige en beslissende beteekenisPHebben wij het ons dag en nacht voor oogen gesteld, dat het in dezen strijd niet aJleen ging oro het uitwendig bestaan van ons vaderland, maar om de ziel van ons volk, van ons geliefd, door God begenadigd Duitsche volk, met hetwelk ook wij en met ons de kerken der Reformatie, in hef en leed verbonden zijn? Hebben wij den vijand gekend, die ons volk overvallen heeft? Hebben wij het ons voor oogen gesteld, dat achter het git van de leugen, hetwelk de aardsche vijanden door duizend kanalen in ons volk gebracht hebben' om zijn geestkracht te dooden, de moordenaar en de leugenaar van den beginne staat, die het volk der reformatie en der inwendige zending ter neder wil werken, om de heerschappij der duisternis des te meer ongestoord op aarde te laten gelden?
En als de zonde in ons volk omhoQg schuimde als zelfzucht en partijzucht, Mammondienst én woekergeest, oneerlijkheid en ontucht als etterende zweren openbraken en de lucht verpestten, die toch zuiver moest zijn, opdat zh die borg stonden voor het leven, in den blJredigen strijd zouden kunnen volhouden, hoe hebben wij daar voor gestaan? Zijn wij, door ernstig over ons zelven te oordeelen en tucht over oos zelven uit te oefenen, onverbiddelijk tegenover onze eigene zonden geweest? Hebben wij ons diep onder de zonde van ons volk gebogen; en dag en nacht niet opgehouden met smeeken om Goddelijke kracht tot overwinning van de zonde, die ons vaderland veel zwaarder bedreigde dan de moordwerktuigen en de overmacht der vijanden ? Of zijn wij na een goed begin weldra aan de zonde gewend geraakt, of hebben we ÏQ ook wel verontschuldigd, haar wellicht in ons eigen leven met' toegeeflijkheid bejegend, en zijn wij door dezen tijd van beslissing, die menschen uit één stuk noodig had, met een verslapt en doorboord geweten gegaan?
Hoe zal het front daarbuiten het uithouden, als de voorste rijen voor het aangezicht van den vijand slapend bevonden worden? Hoe kon ons volk gered worden van de zonde en hare gevolgen, als de bidders, die God de Heere als wachters gesteld had, insluimerden ? Ongetwijfeld is er veel gebeden, maar deed men het niet dikwijls meer tegen de uitwendige, dan tegen de inwendige viianden ? Als Israël wegen bewandelde, die de knecht des Heeren Samuel niet kon goedkeuren, sprak de profeet toch: »Het zij echter verre van mij, dat ik tegen den Heere zoude zondigen, dat ik aflaten zou voor uUeden te bidden. <
Hebben wij, die bidden kunnen, niet allen een schuld ? Kunnen wij zeggen, dat wij al deze oorlogsjaren door onophoudelijk iheilige handen opgeheven hebben zonder toorn en twijfelpc
Wie kan' zeggen: Ik heb niet gezondig*! Ik sta niet mede schuldig aan de nederlaag van ons volk?
Gelijk het in Juda ging over het leven of den dood van het volk des Ouden Testaments, zoo zoekt God onder ons Dditsche volk, of iemand »den muur mocht toemuren en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land.t
zicht in de bresse staan voor het land.t Toen luidde het vernietigend vonnis: »Maar k vond niemandc, en het lot van het oude bondsvolk was bezegeld. Wat vindt onze God, anneer Hij ons heden met zijn oogen als uurvlammen onderzoekt? Vindt Hij iemand — tien? honderd? duizend? — die zich in de bres werpen, welke de vijand reeds geslagen heeft?
Het komt er nu op aan! O dat wij Christenen toch eindelijk ons geheel gaven, met al onze racht worstelden voor ons volk! dat wij een ront vormden — een front van bidders, die nafgebroken voor God staan, in stille gebedsren in onze binnenkamer, en waar het mogelijk' s, in gemeenschap met andere Christenen, om den vurigen strijd te strijden voor de ziel van ons volk!
Wellicht is het nog tijd! Ja, het is tijd, het is steeds gebedstijd. En de Heere kan zich nog over ons en ons volk erbarmen.c
Wanneer deze woorden weerklank vinden, zal er uit verlies voor het Duitsche volk winst geboren worden.
N.-Amerika. De houding van Dr. J. M o 11.
Op 14 Jan. 1918 hield Dr. J. R. Mott een voordracht in het hotel Savoy te New-York over het onderwerp: Een blik op den toestand in Rusland. De Amerikanen werden door hem vermaand het revolutionaire Russische volk geen verwijten te doen, dat is geen manier van een Christelijk volk om een «bondgenootc te behandelen. »Het is de plicht van een Christelijk volk een ander volk bij te staan, dat naar meerder hcht en grooter ^'rijheid streeft". Het heeft er, veel van dat het Dr. Mott er om te doen is, Rusland voor Amerika te winnen. De Russen zijn volgens Dr. Mott een bewonderenswaardig volk; zij hebben een »groot hart", zij zijn religieus, zij zijn groot idealisten en geduldig. Voorts bezitten zij meer leiders met in het oogloopende talenten dan de andere oorlogvoerende volken. Hij ontmoette Kerensky, »een genie, slechts 34 jaar oud, die den moeilijksten 'ommekeer in het volk leidde", dan Tjerensko, slechts 31 jaar oud, > een der sterkste mannen, die ik ooit in een volk vond". De vier krachtigste persoonlijkheden der regeering waren alle onder de 40 jaar oud. »Dan denk ik aan de kringen, die nog buiten de macht staan, die nog sterkere mannen tellen dan die welke aan het roer staan. Rusland is sterk in de hoogte, sterk in de laagte van het boerenvolk, , maar zwak in het midden. Dat is een leemte die niet zoo spoedig kan aangevuld worden"; Dit zijn gronden waarop men het Russische volk vertrouwen moet. Voorts moet men in het Russische volk gelooven, omdat dezelfde beginselen die aan de Russische revolutie ten grondslag liggen, de Vereenigde Staten in het leven riepen en deze er toe geleid hebben om zich bij de Geallieerden aan te sluiten. Voorts is een reden om in Rusland vertrouwen te stellen: de groote uitbreiding der democratie en > de geneigdheid tot orde".'
Maar men moet volgens Dr. Mott ook medelijden Voor Rusland gevoelen. Zij hebben drie millioen van hunne zonen geofferd, twee miUioen zijn verminkt of invalide, twee millioen krijgsgevangenen en dat alles voor een Goddelooze regeering, die het volk bedroog. En toen de revolutie kwam is bij deze arme lieden het hoofd op hol geslagen; zij waren beneveld, want voor het eerst zagen zij licht in plaats van slavernij, rijkdom in plaats van armoede. Geen wonder dat alles 't. onderste boven ging, zoodat het een echte woestenij werd.
Maar dit is niet de schuld van het volk, doch van enkele kleine partijen en vooral van de meesterlijke Duitsche, listige propaganda; er werd daarin gesproken van de broederlijke gezindheid van Duitschland, terwijl Engeland en Amerika belasterd werden. De Duitsche propaganda heeft Rusland en het Russische leger gedemoraliseerd. Daarom moet men medelijden met Rusland hebben en zich met dit land zoo spoedig mogelijk • weer in verbinding stellen. Mott heeft zoo met Rusland te doen, dat hij er niet van slapen kan. Dat men Duitschland de levenstoevoer afsneed, schijnt hem niet te roeren.
Wij onderstreepen de woorden van Mott, dat dezelfde beginselen die de Russche revolutie in het leven riepen, ook de Vereenigde Staten deden ontstaan ! En nu hield men Dr. Mott nog wel voor den man, die de wereld voor den Christus zou winnen, — althaiis in sommige Christelijke kringen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 december 1918
De Heraut | 4 Pagina's