Zijn de beide door ons
Amsterdam, 30 Mei 1919.
Zijn de beide door ons genoemde bezwaren o.i. dus niet voldoende, om daarop de zoo broodnoodige herziening of, wil men liever, uitbreiding onzer belijdenisschriften te laten afstuiten, van meer beteekenis zijn een drietal practische bezwaren, die evenzeer tegen deze herziening zijn ingebracht.
Het eerste dezer bezwaren is, dat de tijd, waarin we leven, voor zulk een herziening onzer belijdenisschriften, gesteld dat deze wenschelijk en noodig ware, toch niet de meest geschikte is. Zal de Kerk, zoo zegt men, tot een nieuwe formuleering van haar dogma komen, dan moet dit geschieden, wanneer een machtig en bezield geestelijk leven in de Kerk gevonden wordt, wanneer de lijnen van de beginselen scherp en duidelijk getrokken worden, wanneer de Kerk beschikken kan over mannen, aan wier innige liefde en trouw aan onze Belijdenis door niemand getwijfeld wordt. De periode, waarin onze Belijdenisschriften ontstaan zijn, was zulk een hoogstaand tijdvak. De adem des Heiligen Geestes had de doodsbeenderen toen weer levend gemaakt. De 'pas tot reformatie gekomen Kerk bloeide als een lelie onder de doornen. Er was zulk een vastheid van geloofsovertuiging, dat onze martelaren, liever dan ook maar iets van Gods waarheid prijs te geven, hun leven ten offer brachten op brandstapel of schavot. Onze belijdenis, in dit glorieuse tijdvak geboren, is daarom zulk een heerlijk en bezield getuigenis, spreekt zulk een kloeke en mannelijke taal, weet de innigste godsvrucht aan de zuiverste uitdrukking der waarheid te huwen en draagt daardoor zoo duidelijk het stempel van den Heiligen Geest. Hoe geheel anders, voegt men er aan toe, is niet de tijd, waatin wij leven ! Men behoeft nog geen zwartgallig pessimist te wezen om in te zien, dat de heerschende geest van onzen tijd veel meer op wegdoezeling van de scherpe lijnen uit is, dan om kloek en beslist voor ons heilig beginsel op te komen. Het staat alles zoo in het teeken van de synthese. Het algemeene Christendom doet opgeld. Voor den naam Calvinist is men bang; zelfs Gereformeerd hoort men zich niet gaarne noemen ; om het behoud van de algemeene Christelijke waarheden is het alleen nog te doen, en zelfs deze algemeene Christelijke waarheden zijn zoo rekbaar als gouddraad geworden. Voor de zuiverheid van het dogma voelt men zeer weinig; men is van niets meer afafkeerig dan van »ketterjagerij"; niet om de leer, maar om het Christelijke leven, liefst zoo vaag en zwevend mogelijk opgevat, is het te doen. Ook in onze eigen Kerken doet de nawerking van den geest onzes tijds zich voelen, vooral onder de ongere elementen. En hoe zal men' dan thans de belijdenis gaan herzien? Het gevaar zou daardoor juist ontstaan, dat men de scherpe kanten ging afvijlen, zooals dit ook bij de revisie der belijdenis in merika is geschied en evenzeer het geval is geweest bij de nieuwe confessies door de Vrije Kerken in Zwitserland en Frankijk uitgegeven. In plaats van een dam op te werpen tegen den wassenden stroom, al men juist de sluisdeuren gaan openzetten, die nog altoos weerstand boden. Men zal, zoo profeteert men, een revisie krijgen, niet in beslist Calvinistischen stijl, maar zoo, dat de hoeksteenen worden weggenomen, waarop het gebouw rust, en door allerlei vage en zwevende uitdrukkingen de band aan de Waarheid Gods eer losser dan vaster zal gemaakt worden. En is het dan niet veel beter, de oude onvervalschte belijdenis onzer vaderen te handhaven, al mag ze niet in al de behoeften van onze dagen voorzien, dan die kostelijke belijdenis uit te ruilen voor een nieuwmodisch maaksel, dat even luchtig zal zijn opgebouwd als de revolutiehuizen, waarin het hedendaagsch geslacht woont?
Niet minder klemt het tweede bezwaar, dat wanneer onze Gereformeerde Kerken zich gingen opmaken om niet alleen de Belijdenisschriften maar ook de Liturgie en de Kerkenorde te herzien, daardoor op zeer bedenkelijke wijze de hereeniging van alle Gereformeerden, waarnaar toch ieder oprecht Calvinist zoo reikhalzend uitziet, niet alleen bezwaarlijk, maar zelfs vrijwel onmogelijk zou worden gemaakt. Hoezeer we kerkelijk' ook gescheiden zijn, hoeveel verschil van inzicht er ook moge wezen, we hebben toch dit gemeen, zoowel met de Gereformeerde broeders in de Hervormde Kerk als met die in de Christelijke Gereformeerde Kerk, dat we gezamenlijk vasthouden aan eenzelfde belijdenis, eenzelfde liturgie gebruiken, en meenen, dat de Kerk behoort te worden ingericht naar de groote lijnen in de aloude Kerkenordening onzer Nationale Synodes der 16e en 17e eeuw getrokken. In die eenheid ligt de band, die bij alle verschil ons saambindt, en die hope geeft, dat eens de Gereformeerde gezindheid weer als geheel, in één Kerk veréenigd, zal optreden. Maar wanneer nu een deel dezer Gereformeerde gezindheid de Belijdenisschriften, de Liturgie en de Kerkenorde naar eigen inzicht gaat wijzigen, hoe goed de bedoeling hiervan ook moge wezen, dan metselt men een scheidsmuur die later onoverkomelijk zal blijken, want geen dezer genoemde groepen zal bereid wezen deze, buiten haar toedoen gewijzigde. Belijdenis, Liturgie en Kerkenorde te aanvaarden. Zelfs zal in zulk' een wijziging allicht oorzaak worden gezocht, om ons te beschuldigen, dat we van het fundament door onze vaderen gelegd, zijn afgeweken. De op zichzelf waarlijk niet zooveel beteekènende schrapping van één zinsnede in Artikel XXXVI der Confessie heeft reeds zooveel stof opgejaagd. Wat zal het dan niet wezen, wanneer heel de Confessie, heel de Catechismus, heel de liturgie en heel e Kerkenorde werd herzien? Bovendien, zoo vraagt ipen met ernst, hebben onze Kerken wel het recht dit te doen ? Toen in de 17e eeuw geschil ontstond over verschillende punten van de leer, hebben de Gereformeerde Kerken in ons vaderland het niet eens gewaagd daarover zelfstandig een oordeel te vellen, maar is een oecumenisch Concilie bijeecgeroepen, waar alle Gereformeerde Kerken uit het buitenland waren uitgenoodigd. Zoo diep voelde men, dat de Belijdenis zaak van heel de Geteformeerde Kerk was. En hoe zouden wij dan eigenmachtig gaan doen, wat alleen een oecumenisch Concilie van alle Gereformeerde Kerken doen mag. Voor ons eigen land representeert onze Generale Synode zeker nog niet de helft van de Gereformeerde gezindheid, en hoe zal ze dan de handen durven slaan aan een arbeid, die alleen door alle Gereformeerde Kerken gezamenlijk met vrucht tot stand kan worden gebracht?
En eindelijk is het derde bezwaar, dat zulk. een herziening, wanneer ze althans bedoelt om alleen enkele minder juiste stukken uit onze Liturgie te vervangen door betere formulieren ; onzen Catechismus bruikbaarder te maken voor de onderwijzing der jeugd, en onze Confessie zich te laten uitspreken over verschillende vraagstukken van onz^n tijd; wel niet anders kan worden dan «en zetten van nieuwe lappen op een oud kleed. We spreken een andere taal dan onze vaderen deden. Het Nederlandsch van onze dagen is, niet alleen wat de woordenkeus betreft, maar ook wat den zinsbouw aangaat, anders dan het Nederlandsch der 16e en 17e eeuw. Wil men niet kunstmatig dit oude-Nederlandsch gaan nabootsen, dan zal men in de Belijdenisschriften, in de Liturgische formulieren, in de Kerkenorde oude en nieuwe stukken gaan saamvoegen, die al een zeer zonderlingen indruk zullen maken. In onze Liturgie zal naast het Doopsformulier, met zijn plechtstatig Oud-Hollandsch, eenFormu lier komen om het huwelijk kerkelijk te bevestigen, dat in geheel nieuwen trant zal zijn opgezet. En nog erger zal het worden met onze Confessies en Catechismus, waar het meeste wel zal blijven staan, maar daarnaast dan klanken zullen vernomen worden, die aan onzen tijd herinneren. Zulk een rapsodie zal uit aesthetisch oogpunt even onsmakelijk wezen als een nieuwmodisch uitbouwsel aan een onzer prachtige Gothische Kathedralen of een sonate van Beethoven, waardoorheen men motieven laat hooren ontleend aan Wagner's operamuziek. Zelfs heeft men daarom al voorgesteld dan nog liever het oude geheel onveranderd te laten, zooals b.v. onze Catechismus, en daarnaast een geheel nieuw leerboek voor de onderwijzing onzer jeugd te ontwerpen. Alsof een Catechismus, die niet langer diende voor het catechetisch onderwijs nog beteekenis zou hebben. En alsof de Catechismusprediking, die aan den Catechismus zou gebonden blijven, niet evenjw'ïer vernieuwing behoeft als de onderwijzing der jeugd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1919
De Heraut | 4 Pagina's