Nieuw-Testamentische exegese - pagina 59
Rede gehouden bij de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt in de Heilige Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
60 7 4
) V g l . Rom. 15: 4 ; 1 Kor. 10:11. ) Zie aanteekening 41. ) Vooral is er gezondigd door grenzeloos allegoriseeren, waarin men een middel had om van alles alles te maken. Men zie: Kuyper, E n e . , III., bl. 118 v l g . ; Reuss, a. w., bl. 529 v l g . ; Doedes, a. w., bl. 18 v l g . ; Heinrici, t. a. p., bl. 731 vlg. ) V g l . nog Sikkel, a. w., bl. 118. ) Van beteekenis acht ik het, dat de naam Neo-Calvinist wordt aanvaard door B. Wielenga, in zijn artikel: S p i n o z i s m e e n C a l v i n i s m e , II, S t e m m e n d e s T ij d s, I, 8, bl. 811—833. Zie voorts H. Bavinck, M o d e r n i s m e e n O r t h o d o x i e , (1911), bl. 27. ) De groote verdiensten van Calvijn als schriftuitlegger worden gehuldigd in het noot 56 genoemde artikel van Tholuck. Niet om eens een bloemlezing van minder gelukkige gedeelten uit Calvijns kommentaren te geven, maar omdat ik me verplicht acht mijn uitspraken over Calvijn te rechtvaardigen, noem ik hier een en ander op, dat ons toont, hoe zijn exegese niet kan zijn, hetgeen we thans behoeven. Het gaat hier meer om de methode dan om den inhoud. Daarom is het voldoende slechts enkele dingen te noemen. Bij Ps. 3 : 8 schrijft Calvijn : „Sed quia „novum non est, ut David in Psalmis permisceat varios affectus, „magis probabile videtur" etc. In die woorden ligt een stelsel, er is geen zoeken naar synthese. Ps. 84 behoort tot de Korachietische psalmen. Calvijn evenwel kent op niet zeer gewichtige gronden dezen psalm aan David toe, hetgeen velen nog bedenkelijk zal voorkomen bovendien. Hij schrijft: „Etsi non in„scribitur nomen Davidis, quia tarnen argumentum convenit eius „personae, probile est eum fuisse auctorem. Nam quod putant „quidam a filiis Corae eius nomine fuisse compositum, hac „ratio satis (ut arbitror) refellitur, quod aetate sua David „Prophetiae doña magis excelluerit quam ut mandaret partes „istas Levitis." E n dan bespreekt Calvijn het voorkomen van den berg Sion in dezen psalm, en spreekt voorts telkens van David als dichter. Bij Ps. 147:9 schrijft Calvijn: „Nam quod „fabulantur Iudaei deseri a pullis suos corvos simulac exclusi „sunt, et vermes nasci in corticibus arborum ad eos pascendos, hoe „suo more faciunt: quia nulla illis religio vel pudor est quidvis „sine colore comminisci quoties aliquid ambiguum occurit." Het 7 5
7G
7 7
7 8
7 9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1912
Inaugurele redes | 64 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 december 1912
Inaugurele redes | 64 Pagina's