Jaarboek 1929 - pagina 74
72
oud-leerlingen onzer Universiteit, juist ter bespreking van allerlei aangelegenheden in betrekking tot tot onze levens- en wereldbesohouwing beoogt, in deze betere tijden in zal luiden. Als ik deze schoone slaapster in het boseh dan maar wakker maken kon. Doch ik vrees! Ik heb geen aanleig voor Sprookjes-prins! Welnu, dan tracht het bestniuT het misschien te doen. In den loop van dit jaar kwam ook de kwestie van art. 2 der Statuten, waarover mijn ambtsvoorganger verleden jaar aanvankelijk inlichtingen gaf, tenminste voorzoover ze de poisitie van onze Universiteit in het algemeen raakte, tot een oplossing. Ik breng even in herinnering, dat bet daarbiji, ging om de vraag: „ot art. 2 der Statniten zoo is te interpreteeren, dat tot de daar genoemde Gereformeerde beginselen behoort het Goddelijk gezag der Heilige Schrift, gelijk de Gereformeerde Kerken in Nederland in baar kerkelijke vergaderingen hebben beleden en bandhaven". Heel gelukkig was die vraag zeker niet geformuleerd. Is art. 2 ;zoo te interpreteeren? Beteekent dit: kan het zoo worden geïnterpreteerd, en drukte het dus min of meer den wensch uit, dat het gebenren zou? Of namen de vragers een objectievere houding in, en vroegen ziji: behoort die interpretatie zoo te zijn? En dat: „gelijk de Gereformeerde Kerken haar behben beleden", strekte deze bijizin slechts ter verduidelijking, of fwilde bet zeggen, dat men — zooals de Commissie ad hoc het zelf uitdrukt — ,,in verband met art. 2 der Statuten reguleerende beteekenis moet toekennen aan leerstellige uitspraken van de Gereformeerde Kerken"? Naar de genoemde Gominissie meende, had in beide gevallen de laatste der twee mogelijke oipvattingen te gelden. En dat eenmaal voor baar vaststaande, beantwoordde zij toen de vraag, die haar voorgelegd was, zonder aarzelen in ontkennenden zin. Echter liet ziji het daar niet bij. Bang, dat zijl zich tenslotte nog vergeefs zou bebben ingespannen, wanneer ziji alleen maar den formeelen kant van bet vraagstuk, dat tot baar instelling bad geleid, behandelde, deed zij; aan het slot van haar belangrijk rapport het voorstel — waarmee de ledenvergadering van dezen zomer, na een bijlzonder gelukkige inleiding van Prof. Dr. J. Riderbos, van de Tbeologisöhe Scbool te Kamjpen, en een geanimeerd debat, zoo goed als unaniem acooord ging — dat de volgende conolnsie zou worden aangenomen: 1°. Hoewel leersitellige uitspraken van belijdende Gereformeerde Kerken, betziji deze bier te lande, hetzij ze in het buitenland zijn gevestigd, voor de beantwoording van de vraag, wat de in art. 2 genoemde Gereformeerde beginselen inhouden, van groote beteekenis zijn, bezitten ze als zoodanig in den kring der Vrije Universiteit uiteraard geen juridisoh-bindend gezag, daar deze een zelfstandig bestaan beeft naast de Kerk en voor de handhaving van baar Gerefoxmleerd karakter haar eigen Statuut en inrichting bözit. Wel heeft de Vereeniging in art. 2 barer Staituten aan de Formulieren van Eenigbeid een dusdanig bindend gezag toegekend, maar alleen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Jaarboeken | 187 Pagina's