Jaarboek 1929 - pagina 76
74 caveant! Partiouliere gesprekken zijn in deze soms aeer instructief. En een uiting van een warnï vriend onzer Stichting, zooals velen onzer haar niet -zoo lang geleden in een publieke vergadering hebben gehoord: „Vooralsnog 'houd ik aan het ideaal -eener inter-kerkelijke Universiteit vast", staat m. i. ver genoeg van een bekende Haarlemsche opmerking van onzen Stidhter over onzen in de Mem geraakten kleinen teen af, om ten deze tot eenige ongeruistheid aanleiding te geven. Volgens kardinaal Newman's werkje over The scope and nature of University Education is een Universiteit „a place of teaching universal knowledge". Daarom is haar object dan ook eenerzijds „intellectual, not moral" en aan den anderen kant „the diffusion and extension of knowledge rather than the advancemient". „If its object" — bet is aan de Preface, dat ik dit alles ontleen •— ,jwere scientific and philosophical discovery, I do not see why a University should have students"! Be Studenten vormen dus z. i. een integreerend bestanddeel van ide acade'mie, zooals in DuitsChland met name ook de Gesellschaft fur Hochschulp-adagogik het nadrukkelijk propageert. Dies schoot ik te kort, als ik ook over hun wereld nog niet het een en ander meedeelde. Ik izou ihet trouwens ook onmogelijik kunnen laten. Want mijn rectoraat zit a. h. TV. ingeklemd tusschen twee gebeurtenissen, die, in die studentenwereld voorgevallen, voor ons geheele universitaire leven van beteekenis zijn geiweest. Twee gebeurtenissen immersi, die ons van de vergankelijkheid en daardoor ook van de verantwoordelijkheid van het leven hebben gesproken. Joachim Johannes van der Hofstede had er vast op gerekend met ons den nieoiwen cursus in te gaan, om zijn studiën voort te zetten: gisteren was het juist een Tveek, dat hiji na een korte ongesteldheid werd begraven. En toen mijn rectoraat twee dagen oud was stond ik, als Rector tevens voorzitter van het studiefonds, waarvan .het Hospitium uitgaat, met Mevrouw de directrice en de commilitones uit ons studentenhuis bij de baar van Bennie Roode. Bennie Roode, onwillekeurig noem ik 'hem met den gemeenzamen naam, 'waarmee zijn vrienden hem noemden. Want nu, na een jaar, dringt zich de gedachte opnieujw aan mijl op, hoe bemind hij in zijn kring is geweest; hij|, de Zuid-Afrikaner! Misschien juist wel ook omdat hiji Zuid-Afrikaner was. Want het bloed trekt toch in allen, die van den Dietschen stam zijn en tesamien den fakkel der Dietsdhe beschaving en Dietsohe karaktereigenschappen omhoog te houden heibben gekregen, om er naar hun vermogen 'de wereld mee te verMdhten en door te verwarmen! Maar toch Keker niet minder om zijn persoon. Hoewel: die twee factoren staan in een geval als dit zeker niet los van elkander. Ik voor mij' tenminste schat juist daarom de toenemende aanwezigheid van buitenlandsche studenten aan onze Universiteit zeer hoog. De aanraking met hen verruimt onwillekeurig den blik van onze autochthonen! En waar ziji dikvrijls allerlei mOeïlij'k-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Jaarboeken | 187 Pagina's