Jaarboek 1929 - pagina 45
43
Zoo is naar de overtuiging der Commissie de stand van zaken, op grond van de statutaire bepalingen; en daarom heeft zij het zóó gezegd. Vraagt men nu, wat 'zulk een antwoord, als hier gegeven wordt, dan wel voor beteekenis heeft, dan zou Spr. hierop het zwijgen kunnen bewaren, want de Commissie, wier tolk Spr. is, heeft zich hierover niet uitgelaten. Toch kan het misschien nuttig zijn, dat hij' wijst op tweeërlei. Het eerste is, dat Directeuren naar ons zoo pas werd medegedeeld, ook reeds een praktisch gebruik van daze conclusie hebben gemaakt, door aan al de hoogleeraren de vraag te stellen, of ze hiermede hun instemming kunnen betuigen; dat koftit dus hierop neer, dat ze haar gebruiken als middel, oim zich nader op de hoogte te stellen van de opvatting, die de ihoogleeraren op het punt van het Schriftgezag koesteren aangaemde art. 2 der Statuten, waaraan ze voor al hun onderwijs gebonden zijn. En dan is er in de tweede plaats nog iets anders. Hoe men een grondslag ook formuleere, nooit staat het zóó, dat die formuleering het eenige is, waarop het aankomt. Niet minder dan op die formuleering zelve komt het aan op den g e e s t , waarin ze gehandhaafd wordt. Verslapt die geest, dan kan ook de scherpste formuleering ons niet baten. Blijft de geest goed, dan kan ook een formuleering van weinige woorden voldoende zijn. Wat den grondslag onzer Vereeniging betreft, is m.i. duidelijk, dat de korte formule „de Gereformeerde beginselen" een zeer belijnden grondslag biedt, zoolang ze wordt opgevat in den geest van de stichters onzer Universiteit. Welmx, het hier door Directeuren en Curatoren gegeven antwoord is een bewijs, dat de geest, die de eerste stichters onzer Vereeniging bezielde, om namelijk het volstrekte gezag van Gods Woord boven alles te stellen, nog de geest is, die de leidende organen van onze Vereeniging bezielt; dat zij den band aan het Woord onverzwakt wenschen te handhaven, en niet van 'zins 'zijn, eenige afwijking daarvan te gedoogen, onder welken schoonklinkenden naarm deze izioh ook moge aandienen. Het
positieve
deel.
Thans nog een enkel woord over het positieve deel der conclusiën, het oordeel over den inhoud van art. 2 ten opzichte van het Schriftgezag. Het is duidelijk, dat met het boven aangegeven karakter van deze conclusie ook baar inhoud in overeenstemming moest zijin. Het moest zijn een algemeene uitspraak. Daarom wordt er eerst gesproken van het Schriftgezag in het algemeen, en geconstateerd, dat dit Schriftgezag, en wel eooals het in de Drie Formulieren 'van Eenigheid beleden wordt, tot den inhoud vam art. 2 behoort. Maar dan heeft de Commissie gemeend, om alle mogelijkheid van misverstand af te snijden, hieraan te moeten toevoegen, dat hiermede ook geoordeeld is het doen van een ieder, die wel zegt, dit Schriftgezag te aanvaarden, maar — het zij dan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Jaarboeken | 187 Pagina's