Jaarboek 1929 - pagina 38
36 dood toe. Het is hier de plaats niet om in den breede te schetsen, hoe veel onze Verseniging aan dezen trouwen, hoog begaafden Curator heeft te danken gehad; een en ander vindt ge trouwens in een aan zijn nagedachtenis gewijd In memoriam in het jaarboek. Sechts dit zij' hier, ik weet het met uw aller instemming uitgesproken, dat zijn gedachtenis onder ons n zegening blijft ook ja vooral, om den oprechten en innig vromen ernst, waarmee hij. zijn rijke krachten heeft gewijd aan den dienst van zijn Heer. Nog een twe.eden doode heb ik te ,gedenken. Al had Dr. J. G. Scheurer enkele maanden vóór zijn overlijden ontslag genomen als Curator, niemand zal het vreemd vinden, waniaeer ik hier ook zijn naam noem met een gevoel van warme waardeering voor de groote liefde waarmee ook hij de zaak, die ons allen 'zoo na aan het hart ligt, heeft gediend. Dooden als deze twee spreken lang nog nadat zij gestorven 'zijn. Ten slotte memoreer ik nog een omstandigheid van verblijdenden aard. De benoeming van den lector Mr. C. Zevenhergen tot Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, maakte voorziening in de vacature hierdoor ontstaan, in de juridische faculteit tot een-dringenden eisch. Zooals u uit de bladen reeds bekend is, werd inmiddels tot Hoogleeraar in Strafrecht en Rotmeinsoh Recht benoemd Mr. V. H. Rutgers te 's-Gravenhage. Dat door deze benoeming een onder ons van ouds geliefde en hooggeschatte naam weer nauw met onze Universiteit verbonden wordt, zal ongetvrijfeld in den kring onzer Vereeniging blijde voldoening wekken. En thans, broeders en zusters, gaan wiji opgewekt aan don arbeid. Vraagt ge mij, als Voorzitter, of ik voor die opgewektheid grond heb, dan antwoord ik zonder de minste aarzeling: ja zeker! Ik denk hier aan het wijze en bedachtzame woord, dat de anders lang niet zoo bedachtzame Aohab eens aan Benhadad den koning van Syrië toe^ voegde: die zich aangordt, beroeme zich niet als die Eich losmaakt. Dat was een verstandige opmerking, die niemand dan tot zijn schade kan veronachtzamen.. En wij dan? Wij hebben ons aangegord toen wij zoo even het aangezicht hebben gezocht van onzen God en Vader in den Heere Jezus Christus. Toen wiji in dat gelbed belijdenis hebben gedaan van onze onwaardigheid en onze zware schuld voor Hem, die ons gansche iDestaan doorgrondt. Maar in dat gebed hebben wij Hem, steunend op de waarachtigheid van Zijn belofte, gesmeekt: Uw werk o Heer, behoud dat in het leven. Indien die verzuchting ons diep uit de ziel is geweld, och laat ik 't heel eenvoudig zeggen, indien wij gemeend hebben wat vrij vraagden, dan hebben wij. ons zóó aangegord, dat de grondtoon van heel ons samenzijn besloten ligt in het tegelijk ootmoedige en machtige geloofswoord: en nu Heer, Ik zal u niet laten gaan tenzij dat Gij mij zegent! Nog eens dan: opgewekt aan 'het werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Jaarboeken | 187 Pagina's