Jaarboek 1929 - pagina 42
40 En voorts, omdat het gezag, waarmede onze Vereeniging in geloofszaken kan optreden, niet gelijk gesteld mag worden met het gezag, dat de Kerk in dit opzicht bezit. De Kerk heeft, met de belofte van de bijzondere leiding des H. Geestes, van Christus ontvangen de potestas docendi, het leergezag, en kan krachtens dat gezag in haren kring vaststellen wat op grond van Gods Woord als waarheid wordt erkend. Onze Vereeniging heeft weliswaar het recht, om in haax Statuten en verdere regelingen vast te stellen, wat zij als waarheid erkent, welke riching zij dus voor zichzelf en het leven harer school wil kiezen. Maar dit recht draagt dan toch een geheel ander karakter dan het leergezag der Kerk; wat onder meer hierin uitkomt, dat haar recht om in zaken, de leer betreffende, aan anderen eischen te stellen, veel meer dan dit bij de Kerk het geiVal is, berust op en afhankelijk is van bepaalde stipulation, die bijl de aanstelling zijn aangegaan. De groote beteekenis hiervan is duidelijk. Spr. weet wel: er is een standpunt waarop men zegt: wat maakt ge u druk met al die ingewikkelde kwesties; kies voor de waarheid, en «isoh van allen, over wie ge iets te zeggen hebt, dat zij zich aan uw keuze onderwerpen. Maar dat is zeker niet Gereformeerd, en niemand onzer zal het daarvoor opnemen. Wanneer ik aan een ander een eisch zal stellen ten opzichte van de erkenning der waarheid — i k bedoel niet het voorhouden van een medelijken eisch, maar het stellen van een eisch, waaraan ik eventueel ook rechtsgevolgen zal verbinden — dan moet ik me wel deugdelijk bewust zijn, welk recht ik tegenover hem kan laten gelden. Immers, zoodra ik de perken van mijn recht te buiten ga, pleeg ik onrecht, en onrecht, al pleegt men het in naam der waarheid, en al heeft men daarbij de goede bedoeling, de waarheid te bevorderen, blijft daarom evengoed in strijd met Gods wil, en kan niet dienen om de waarheid te bevorderen, maar wel om haar van haar luister te berooven. Daarom is in al dergelijke zaken de rechtsvraag van zoo ontzaglijke beteekenis. Dat geldt voor de Kerk, en dat geldt voor onze Vereeniging; en beide hebben die vraag te beantwoorden naar den aard van de in haar kring geldende rechtsorde. En hier ligt nu de reden, waarom de Commissie op die rechtskwestie zoo sterken nadruk heeft gelegd. Vast staande in de overtuiging, dat er voor de handhaving der waarheid geen andere weg mag worden betreden dan de weg van het recht, en vooruitziende het gevaar, dat sommigen, uit misverstand en met de beste bedoelingen, haar positieve uitspraak zouden wilen gebruiken tot een uitgangspunit voor handelingen, die met den strengen maatstaf van het reoht niet zouden kunnen bestaan, heeft zij zich beijtverd, alle kans op misverstand af te snijden, en liet „niet juridisch-bindend" tot tweemaal toe uitgesproken. Ze deed dit in de eerste plaats in haar eerste conclusie, waarvan de korte inhoud is, dat kerkelijke uitspraken van leerstelligen aard, van hoe groote beteekenis ook voor de Vrije Universiteit, toch als zoodanig Voor haar king geen juridisch-bindend gezag bezitten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Jaarboeken | 187 Pagina's