Jaarboek 1929 - pagina 87
85 referent, is in strijid met deze bedoeling der wet, de burgerlüke armenzorg dermate toegenomen, dat zij. tihans verre de over'hand kreeg. Waren in Nederland in 1906 de 'burgerlijke uitgaven voor de armenzorg 9% millioen, de kerkelijke 7% millioen en die van particuliere instellingen 2'/2 millioen, zoodat toen de kosten der burgerlijke armverzorging nog onder 'de helft van het totaal bleven, deze verhoudingen vp^aren in 1925 respectievelijk 53,7 millioen, 12,4 niillioen en 5,8 millioen. Ongetwijfeld hebben tal van als tijdelijk bedoelde crisis-maatregelen, groeten invloed gehad op de onbedoelde, maar niettemin gekomen en ook blijvende stijging van bet eerste cijfer. En begrijlpelijkerwijis voerde deze loop van omstandig'heden ertoe, dat voor de diaconie de Vraag opkwam, voor welke armen ziji, gegeven de groote wijizigingen in bet maatschappelijk lev-en, thans moet zorgen. Wèl bepaalt art. 28 van de armenwet:,,Ondersteuning kan slechts worden verleend aan hen, die ziöh het noodzakelijk levensonderhoud niet kunnen verschaffen en h e t . . . . niet ontvangen van kerkelijke instellingen", zoodat een burgerlijk armbestuur dus terecht een kerklid in de eerste plaats naar de kerkelijke instelling vervrijist, dodh bet is de vraag, of deze bepaling nog wel met de tegenwoordige practijk overeenkomt. Meer en meer immers wordt de sociale hulp in rechterlijke constructie gebuid, van de zijde van het socialisme, waar men de kerk en Ihaar armenzorg wantrouwt en de sociale hulp alleen veilig acht in de band der overheid. En tegenover het socialisme moeten we opkomen voor de vrijbeid en ihet reoht der kerk. Het is de kerk — zoocils Groen van Prinsterer zeide — „aan welke de woorden des levens zijn toevertrouwd; de Christelijke kerk in al haar omvang en historisch bestaan; de kerk, die elke ondeugd bestrijdt, waardoor de armoede gevoed wordt, elke' deugd aanbeveelt, waardoor de armoede wordt verzadht; die niet enkel voorscbriften geeft, maar de kracht aanwijst om ze in practijk te brengen; elke bron opent van eigen veerkracht en onderling hidpbetoon" (adviezen, Ie deel, p. 429). En al staan we nu anders tegenover het vraagstuk der armoede dan in de dagen van Groen van Prinsterer en kreeg het „systeem der oharité legale" waarvoor Groen zoo vreesde, een andere gestalte, de taak der kerk hield toch hetzelfde karakter. We vorderen daarin erkenning van de zijlde der overheid als het recht der kerk. Met den referent traden thans in discussie. Ds. E. Prinsen, van Ensdhede, Prof. Dr. H. H. Kuyper, de heer G. Wolzak Van Haarlem, Mr. G. H. A. Grosheide, Ds. P. N. Kruyswijk -^an Vlissingen, de heer D. T. d. Meulen, van Sneek, Prof Dr. F. W. Grosbeide, Mr. Dr. H. W, Hovy van Loosduinen en de beer J. Schouten, van Rotterdam. Aan ihet einde der wetensohaippelijke samenkomst sprak de voorzitter een woord van dank tot de referenten en opponenten, waarna Mr. A. J. L. van Beeck Galkoen in dankzegging voorging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Jaarboeken | 187 Pagina's