1907-1908 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 52
40 het spectrum nl. rood, oranje en geel noemen wij gewoonlijk helder, licht; de drie laatste: blauw, indigo en paars maken op ons oog een donkeren, minder vroolijken indruk. Groen vormt het daartusschen gelegen gedeelte, de middelste kleur. Nu worden op eene photo rood en geel juist donker, blauw daarentegen helder of licht, terwijl groen zeer donker, zwartachtig wordt. Overigens worden in 't algemeen de verlichte, de door eene lichtbron beschenen voorwerpen of gedeelten daarvan te helder, te licht; de beschaduwde deelen worden op eene photo te donker, te zwart, zoodat het contrast op eene photografische afbeelding vrij wat sterker zich voordoet, dan in werkelijkheid het geval is. Witte kant op witte stof wordt dus niet heel duidelijk; evenmin komen roode strepen op eene donkere japon goed uit; groen op blauw daarentegen wordt veel te sterk afstekend. Verder merken we nog op, dat de photografie geen verschil kent tusschen hoofdzaken en bijzaken. Voor haar is alles even belangrijk, even gewichtig. De achtergrond is voor haar even merkwaardig als de voorgrond, en beide acht zij weer even belangrijk als het voorwerp, dat eigenlijk moet worden afgebeeld. Zij hecht evenveel waarde aan een puistje als aan de pupil van het oog, en teekent even ernstig een knoopsgat af als een kuiltje in de wang; zij hecht dezelfde attentie aan een knoop en aan eene wrat als aan de neus en aan het oor, en schenkt dezelfde opmerkzaamheid aan den gevel van een gebouw als aan het vuil, dat daarvoor op de straat ligt. Zij is gevoelloos juist, eentonig secuur, nauwgezet in de puntjes. Zij is, even als elke machine, gedachteloos werkzaam en maakt geen onderscheid. Een paal of een boomstam, die zich in het landschap voor en dicht bij de camera bevindt, wordt hier werkelijk een groote hinderpaal, vooreerst, wijl die toevallige en er eigenlijk niet bijbehoorende paal niet alleen gephotografeerd wordt, maar ook nog zeer groot, ja veel te groot op de photografie komt; en ten anderen, wijl hij een groot gedeelte van den achtergrond bedekt en niet op de teekening laat komen. Bij 't zien met twee oogen daarentegen hindert die paal niet of weinig, wijl men er achter langs ziet en zoodoende niets van den achtergrond mist. Een teekenaar naar de natuur let dan ook niet op dien paal, maar laat hem gewoon weg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 202 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 202 Pagina's