1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 48
40 een deel van Saturnus hebben uitgemaakt en er zich later in hurl geheel van hebben afgescheiden; de mogelijkheid bestaat evenzeer, dat zij van buiten af door de aantrekking der planeet in hun tegenwoordigen toestand gekomen zijn. w^aardig, dat de ring van
Saturnus
vertoont, om in eene maan of in manen
over te g a a n ; uit de
schijnt
toch
te
blijken,
Bovendien is het ook zeer merk-
dat
nog niet de minste neiging eene nieuwe verzameling van
verschillende snelheid
der deeltjes
dit ringstelsel niet overal volkomen
homogeen, volkomen regelmatig meer is, indien
zulks ten minste
ooit het geval mocht geweest zijn. De meer dan zes honderd kleine planeten tusscheii de loopbanen van Mars en Jupiter, alsmede de planetoïden, die binnen de Mars-baan en buiten de baan van Jupiter gelegen zijn, pleiten ook niet voor de ringvormiiig. Men kan zich toch moeilijk voorstellen, dat de nevelbol zulk een groot aantal ringen '/,oo kort na elkander zou hebben afgezonderd. LAFLACE, wien nog slechts vier van deze asteroïden of kleine planeten bekend waren, wil ze doen ontstaan uit een enkelen ring, die zich in even zooveel planeten verdeelde, „a moins qu'on ne suppose, zegt hij, qu' elles formaient primitivement une seule planète, qu' une forte explosion a divisée en plusieurs parties animées de vitesses différentes." De eene meening is al even willekeurig als de andere. W a n t , ook al neemt men met LAPLACE de achtereenvolgende ringvormingen aan, dan is het nog zeer de vraag, of de stukken, waarin zich elke uit nevelstof bestaande ring verdeelde, onder den invloed hunner wederzijdsche aantrekking, zich tot eene of meer ellipsoïdische planeten hebben kunnen vereenigen. Zeer waarschijnlijk is dit niet en bekwame hedendaagsche wis- en sterrenkundigen houden het zelfs voor onmogelijk. VIL
Vreemd
is het, vooral wanneer men zich op het standpunt
der nevelbolhypothese plaatst, dat aan de zon geene afplatting kan worden waargenomen, dat zjj dus in 't geheel niet of slechts onmerkbaar weinig afgeplat is.
En juist bij haar zou men eene aanzienlijke
afplatting
mogen verwachten, indien ten minste, w a t zeer waar-
schijnlijk
is en w a t KANT en LAPLACE ook uitdrukkelijk aannemen,
de afplatting
der hemellichamen mag beschouwd worden als een
gevolg hunner aswenteling.
Immers toen de zon nog een zeer ijle
nevelbol was, bezat zij volgens de theorie van KANT en LAPLACE
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's