1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 42
34 hij eene niet geringe moeilijkheid en wel deze, dat hij nu de dikwijls zeer groote excentriciteiten en hellingshoeken der staartsterren niet behoeft te verklaren, terwijl hij bovendien het voordeel heeft, dat niemand die als een bezwaar tegen zijne onderstelling kan doen gelden. Inderdaad heerschte in de achttiende eeuw en nog lang daarna de meening, dat kometen zwervende hemellichamen waren, die in de wereldruimte uit nevels ontstonden en zich van het eene zonnestelsel naar het andere bewogen. Zij werden dan wel eens door de zon geannexeerd, zoodat zij deel van ons planetenstelsel gingen uitmaken. Overigens waren, zelfs bij den dood van LAPLACE, nog slechts van vier kometen de omloopstijden en andere elementen met zekerheid bekend. Meer en meer wint echter, vooral in de laatste jaren, het gevoelen veld^ dat de kometen, gelijk ook KANT aanneemt, wél tot ons planetenstelsel behooren en dat zij alle elliptische banen om onze zon beschrijven en met andere zonnestelsels niets te maken hebben. Naarmate de waarnemingen nauwkeuriger worden, naar die mate vermindert ook het aantal hyperbolische en parabolische loopbanen dezer hemellichamen en neemt het getal elliptische banen toe. Is deze meening juist, dan had LAPLACE ook de kometen in zijne hypothese moeten opnemen. IV. LAPLACE neemt aan, dat ten gevolge van eene steeds voortgaande afkoeling van de atmosfeer der zon niet alleen gordels van dampen werden afgezonderd^ waaruit de planeten ontstonden, maar ook steeds meer deelen van den nevelbol zich in het middelpunt ophoopten en zoo een steeds aangroeiende kern vormden. Deze beweging der deeltjes naar het middelpunt, naar de kern waarmede zij zich vereenigden, moet echter blijkens de mechanische warmtetheorie ten gevolge hebben, dat de kern eene steeds hoogere temperatuur verkrijgt. De aldus door de werking der zwaartekracht ontstane warmte deelt zich natuurlijk mede aan den geheelen gasbol, en wijl de gravitatie steeds meer deelen naar de kern trekt en dus de nevelbol kleiner wordt, zoo moet de warmtegraad èn van kern èn van gasbol voordurend grooter worden, tenzij men mag aannemen, dat de warmteuitstraling van den laatste grooter is dan de warmteontwikkeling door de werking der zwaartekracht. Mag men dit nu aannemen ? Volgens den wis- en werktuigkundige
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's