Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 46

2 minuten leestijd

38 gegen einander veranlasset, obschon die Bestrebung der Partikeln, von beiten Seiten diese Ausweichung

so sehr als möglich einzu-

schranken, ihr n u r enge Grenzen zulasset". IV.

Verder kan moeilijk met de theorie van KANT en LAPLACE

worden overeengebracht het verschijnsel, dat de tijd, dien sommige manen noodig hebben, leggen, ongeveer

om hunne revolutie om de planeet af te

gelijk is aan of zelfs veel kleiner is dan de duur

van de aswenteling der planeet zelve.

H e t laatste is het geval met

Phobos, de binnenste der t w e e satellieten van Mars; terwijlPhobos in ruim

T','» uur hare baan rondom de planeet aflegt, heeft deze

laatste voor hare aswenteling 24\o u u r noodig.

Ook de beweging

der deelen van het in 1655 door CHRISTIAAN HUIJGENS (1629—1695) ontdekte ringstelsel van Saturnus schijnt in strijd m e t de hypothese ; immers

volgens

JAMES EDWARD

K E E L E R . (1857—1900) hebben

de

binnenste deelen van den ring eene grootere snelheid dan de buitenste, zoodat, wanneer er volgens de voorstelling van KANT en LAPLACE uit den ring eens eene nieuwe maan gevormd

werd, deze eene

aswenteling van h e t O. naar h e t W. zou verkrijgen. V.

LAPLACE wijst er uitdrukkelijk op, dat volgens zijne nevelbolhy-

pothese de excentriciteiten der loopbanen van planeten en manen zeer klein moeten zijn.

En ook KANT is van dezelfde meening, vooral

wat betreft die planeten, die h e t dichtst bij de zon staan.

Nu is de

excentriciteit der loopbaan van Mercurius, den binnensten planeet van ons zonnestelsel 0.2, die van Mars 0.09, van Hyperion, de zevende maan van Saturnus, 0.13, van Phoebe, de negende maan van Saturnus, 0.22, van Ceres, de in 1801 door GIUSEPPE PIAZZI (1746—1828) ontdekte eerste planetoïde, 0.08, van Polyhymnia en Istria, twee andere planetoïden, 0.33 en 0.35. De exentriciteit der in 1908 door M. P . MELOTTE ontdekte achtste maan van Jupiter bereikt zelfs de buitengewone grootte van 0.44. Zulke excentriciteiten kan men toch waarlijk niet gering noemen ; ook pleiten zij niet voor de juistheid der theorie, die hier besproken wordt. Inderdaad

wordt

het, m e t h e t oog op al het boven vermelde,

moeilijk, thans nog in te stemmen m e t de woorden von LAPLACE : „L'examen approfondi de toutes les circonstances du système planetaire accrolt encore la probabilité de notre hypothese", of ook m e t w a t

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's

1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 46

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's