1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 53
4o
De laatste zouden nl. geleerd hebben, dat ongeveer bij elke 33 meter, die men dieper komt, de temperatuur gemiddeld P C. stijgt; op eene diepte van 33000 meter zou de warmtegraad der aardkorst reeds 1000 C. bedragen, en bijgevolg moet het inwendige der aarde wel zoo heet wezen, dat alle stoffen daar in gesmolten of in gasvormigen toestand verkeeren. Tegen deze geheele redeneering zijn evenwel gewichtige bedenkingen in te brengen: zij is onjuist, zij is onwetenschappelijk. Immers zeer verschillend zijn de temperaturen, die men bij boringen gevonden heeft. Uit eenige honderden waarnemingen in bergwerken vond men eene temperatuursverlaging van 1 C. bij eene gemiddelde daling van telkens 23.6 meter. Onder in den 1700 meter diepen boorput van Schladebach bij Merseburg bedroeg de temp. 56"oO C.; men nam hier eene stijging van 1 C. waar bij elke daling van gemiddeld 86.6 meter. Bij eene boring te NeufEen in Wurttemberg nam de temp. reeds 1 C. toe als men 11 meter daalde, en bij Liverpool was dit eerst het geval telkens wanneer men 68 meter dieper in de aarde doordrong. In het 2000 meter diepe boorgat van Paruschowitz in Silezië neemt de warmtegraad gemiddeld 1 C. toe, wanneer de diepte 31.82 meter grooter wordt. In eene zilvermijn bij Pzibram in Bohème moet men gemiddeld telkens 65 meter dalen om eene temperatuursverhooging van 1 C. te verkrijgen. Het is wel duidelijk, dat het hoogst moeilijk, zoo niet onmogelijk is, om uit zulke uiteenloopende cijfers een regel af te leiden. Bovendien wijzen sommige waarnemingen er op, dat men, hoe dieper men in den bodem doordringt, ook telkens des te meer meter moet dalen, om eene rijzing in temperatuur van 1 C. te verkrijgen. Zoo vond men bij de boringen te Speremberg ten Z. van Berlijn, waarbij men eene diepte van 4000 voet of 1200 meter bereikte, dat de temperatuur wel aangroeide, naarmate men dieper kwam, doch dat die aangroeiing steeds geringer werd. Tusschen 100 en 200 voet nam de warmtegraad 1.35 R. toe, tusschen 1900 en 2000 voet 0.84 R. en tusschen 3000 en 3100 voet 0.6 R. Was nu de aarde van binnen gloeiend-vloeibaar, dan moest zich juist het omgekeerde verschijnsel voordoen, dan moesten de aangroeiingen in temperatuur steeds grooter worden telkens wanneer men weer 100 voet dieper
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's