1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 39
31 en derhalve niet afdoende bewezen kan worden. Zoodra dit laatste mogelijk werd, zou zij geheel het karakter van onderstelling verliezen en zou zij een wetenschappelijk feit worden. Hier staat tegenover dat, zoodra men van eene hypothese of theorie de onjuistheid of onvoldoendheid kan aantoonen, zij moet worden opgegeven of gewijzigd. Wanneer nu de beoefenaar eener hypothese goede gronden meent te hebben om hare juistheid in twijfel te trekken, dan wordt het menigmaal nog moeilijker, zich goed in de voorstelling van den ontwerper in te denken, en dan vooral loopt de eerste gevaar onbillijk te worden, wijl hij dan immers niet meer neutraal tegenover de hypothese en haar opsteller staat en zijne tegeningenomenheid hem dan lichtelijk parten kan spelen. Maar ook de aanhangers, de voorstanders eener theorie of hypothese zijn aan een dergelijk gevaar blootgesteld, wijl hunne vooringenomenheid oorzaak kan zijn, dat zij uitsluitend of te veel op de lichtzijden letten, en de schaduwzijden, de zwakke plaatsen, zij het ook niet altijd opzettelijk, over het hoofd zien of er niet voldoende de aandacht op vestigen. Uit al het voorgaande blijkt duidelijk, dat eene juiste beoordeeling eener hypothese eene niet gemakkelijke taak is en men daarbij allerlei klippen heeft te vermijden. Eene zoo groot mogelijke bescheidenheid en objectiviteit en een.geheel doordringen in den geest der onderstelling is eerste vereischte. Ik wil trachten eenige bedenkingen en bezwaren in het midden te brengen tegen de nevelboltheorie, zooals die door KANT en LAPLACE is opgesteld en ik hoop daarbij zoo objectief mogelijk te blijven.
I. Volgens de theorie van KANT moeten de loopbanen der planeten, die het dichtst bij de zon staan, ook het minst van den cirkelvorm afwijken, en moet de excentriciteit der planeten en kometen des te grooter worden, naarmate zij verder van de zon verwijderd zijn. Nu heeft men, van de zon af gerekend, de volgende groote planeten: Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus. De excentriciteiten der ellipsen, die zij beschrijven, d. w. z. de afstanden hunner brandpunten tot hunne middelpunten gedeeld door hunne halve groote assen, zijn achtereenvolgens: 0..^05, O.OOi, 0.017,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's