1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 95
87 daartoe de voorlichting van de psychiatrie ; wijl echter de beginselen, waarvan men bij de beoefening der psychiatrie uitgaat, zeer verschillend kunnen zijn heeft de geestelijk-verzorger z. i., „met bestudeering en vergelijking van verschillende beginselen en stelsels, een min of meer zelfstandig oordeel zich te vormen, daarbij inzonderheid zich latende voorlichten en leiden door zijn eigen geloofsovertuiging omtrent het ontstaan en het wezen van den mensch als schepsel Gods; den toestand van den mensch vóór en na den zondeval; de gevolgen der zonde in lichaamskrankheid en zielelijden ; de uitingen van 's menschen zieleleven in zijn verhouding tot God, in zijn behoefte aan verlossing, in zrjn besef van schuld, in wedergeboorte en bekeering, in geloof en heiligmaking; in één woord, omtrent al wat de Heilige Schrift als waarheid leert en de ervaring van alle eeuwen als waarheid bevestigt". In het hoofdstuk over den normalen mensch, pag. 11—36, wordt deze geschetst als geschapen naar Gods beeld, dit zoowel wat het lichaam als wat de ziel betreft, wier verhouding tot elkander in een afzonderlijke paragraaf wordt behandeld. Wat aangaat het ontstaan van de ziel aanvaardt de schrijver noch het praeëxistentianisme, noch het traducianisme, noch het creatianisme ; in geen van allen vindt hij eene bevredigende verklaring van het hier bedoelde vraagstuk: „als wij ons", zoo vervolgt hij, „eene voorstelling van het ontstaan der ziel zouden moeten maken, die naar onze overtuiging noch met de rede noch met de Schrift in strijd is, dan zouden we willen aannemen, dat in de generatie (verwekking), op voor ons onverklaarbare wijze, niet uitsluitend een somatisch (lichamelijk), maar evenzeer een psychisch (door de ziel beheerscht) moment is, waarin de mensch uit kracht van zijn geschapen zijn naar Gods beeld zijns gelijke, dus ook den mensch (bestaande uit ziel en lichaam), voortbrengt." Na deze uiteenzetting worden de vermogens der ziel: het kenen het begeervermogen eenigszins uitvoerig behandeld, waarna aan de temperamenten een breede plaats wordt ingeruimd ; hierop volgt eene verhandeling over den wil. In het derde hoofdstuk, over den abnormalen mensch, (pag. 36—55), wordt het begrip „abnormaal" nader omschreven, een wenk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's