Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 51

2 minuten leestijd

48 korst, die de vloeibare kern geheel omgaf. In dit stadium bestond de aarde derhalve uit drie deelen, en wel uit een gloeiend-vloeibaar inwendig gedeelte, uit eene betrekkelijk nog dunne harde schors en uit een daaromheen gelegen dampkring. Door de vereenigde werking van maan en zon ontstonden er in de vloeibare kern eb en vloed, die, gevoegd bij de voortgaande afkoeling en inkrimping der korst, oorzaak werden, dat de laatste herhaaldelijk werd gescheurd en gebroken, totdat zij eindelijk stevigheid genoeg verkreeg, om aan die herhaalde verbrijzeling tot schotsen weerstand te bieden. Nu kon de inwendige warmte der aarde beter bewaard blijven en nam de aardkorst langzaam in dikte toe, waardoor de warmteuitstraling der gloeiend-vloeibare kern steeds meer belet werd, zoodat hare verdere afkoeling thans nog slechts zeer langzaam voortschrijdt. Nemen we nu eens een oogenblik aan, dat de tegenwoordige inwendige toestand der aarde werkelijk met het laatste gedeelte der bovenstaande schets overeenkomt en dat dus de kern der aarde een ontzettend hoogen warmtegraad bezit, dan volgt hieruit nog volstrekt niet de juistheid der nevelbolhypothese. Want deze hooge temperatuur kan ook wel aan geheelandere oorzakenworden toegeschreven, b. V. aan scheikundige processen, die dikwijls zeer veel warmte ontwikkelen, of aan de werking van gravitatie of etherdruk, die de deeltjes langzaam tot elkaar doet naderen, waardoor zooveel warmte ontstaat, dat een geleerde als HEBMANN HELMHOLTZ (1021—1894) op deze wijze het feit verklaart, dat de zon niet merkbaar in warmte afneemt. Maar er is meer. Hoe weet men, dat het inwendige der aarde gloeiendvloeibaar zou zijn ? Hoe weet men, dat in het binnenste onzer planeet zulk eene hooge temperatuur moet heerschen ? Als antwoord op deze vragen wijst men ons in de eerste plaats op het vulkanisme der aarde, en in de tweede plaats op de waarneming, dat de temperatuur der aardkorst des te hooger wordt, naarmate men er dieper in doordringt. Dat er vele vulkanen, zoo doode als levende, op aarde gevonden worden, is bekend. Even bekend is het, dat in sommige streken der aarde in 't geheel geen vuurspuwende bergen voorkomen, terwijl andere landstreken als het ware met vulkanen bezaaid zijn. Wat echter de oorzaak van de vulkanische verschijnsels betreft,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's

1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 51

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's