1908-1909 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 104
96 op den achtergrond gedrongen wordt, omdat hij het toch ten slotte is, die beoordeelen kan of die bemoeiingen nuttig en noodig zijn' omdat het goeddeels van hem afhangt of de maatregelen gedragen zullen worden door de sympathie van de personen, die bij ziekte zijn advies inwinnen en die maatregelen daardoor geen doode lette zullen blijven. Een merkwaardig, of laat ik liever zeggen, een onverkwikkelijk voorbeeld van deze achteruitzetting van den geneeskundige merkte ik voor eenige maanden op in eene polemiek, voorkomende in het Zeitschrift für Medizinalboamten onder het motto Kreisarzt und Kreistierarzt; zij ging in hoofdzaak over de vraag, of het billijk is, dat een voorgenomen verbetering in de bezoldiging bij de Kreistierarzto in sneller tempo zou worden opgevoerd dan bij de Kreisiirzte het geval is. Nu kan uit den aard der zaak deze salariskwestie hier geheel buiten beschuuwing blijven, maar wat ons wel belang mag inboezemen is, dat de betere positie van den veearts werd goed gepraat met de bewering, dat de bestrijding der besmettelijke veeziekten belangrijk verder gevorderd is dan van analoge ziekten bij den mensch het geval is, en hoe dus uit dien hoofde over de meerdere vooi'trefEelijkheid van het veeartsenijkundig toezicht boven het geneeskundig toezicht te roemen viel. Te begrijpen is, dat de uiedizinalrath dat niet op zich liet zitten; hij wees er den hoogleoraar in de veeartsenijkunde op, hoe de wapenen van beiden geheel ongelijk zijn, hoe die voor de bestrijding van mensclielijke ziekte zoo veel stomper zijn, omdat men met menschen te doen heeft en niet met vee, dat afgemaakt kan worden. Maar in weerwil daarvan had het hem juist ten zeerste verbaasd, nu hij een opzettelijk onderzoek had ingesteld, hoe gering op stuk van zaken het succes aan de zijde van het veterinarwesen is. 28 jaar lang is de veewet in Duitschland van kracht en slechts bij eene ziekte, de lungensouche is het gelukt haar uit te roeien, terwijl slechts bij twee andere, de schapenpokken en malleus een belangrijke vermindering bereikt is. In een officieel verslag van 1907 aan den Rijksdag stond o.a. te lezen, dat het miltvuur wezenlijk is toegenomen, hoe van mond-en klauwzeer nog elk oogenblik een algeineene verbreiding te vreezen is. Hij wijst er verder op, dat de hondsdolheid meer voorkomt dan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 188 Pagina's