1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 115
107 periode van de vorming onzer aardkorst vond en wel in Canada. In 1858 werd dit v o o r w e r p d o o r W I L L I A M E D M O N D LOGAN ( 1 7 9 8 —
1875) o n t d e k t ; J. W . D A W S O N ( 1 8 2 0 - 1 8 9 9 ) onderzocht en b e schreef het in 1865, kwam tot het besluit, d a t men hier te doen had met een allereenvoudigst dier, hetwelk tot d e rhizopoda of wortelpootigen behoorde, en gaf er den naam aan van eozoön canadense of d a g e r a a d s d i e r van Canada. „Dit dier, zegt D A W S O N , b o u w d e groote riffen van kalkrotsen evenals onze tegenwoordige koraaldiertjes. Het geraamte van eozoön bestond uit eene rij kalkplaten, die van poriën en kanalen d o o r s n e d e n waren en k a m e r s vormden, waarin het geleiachtige lichaam van het dier w o o n d e . " Ook
WILLIAM
MURCHisoN
BENJAMIN
(1792—1871),
1898), M. F. W . R U D D L E R ,
(1813—1885),
RODERICK
BERNHARD
VON C O T T A
ALFRED
voor
het overblijfsel van een organisch wezen ; daarentegen b e o. a.
(1825—1908),
en
HERMAN
W.
S.
(1837—1904)
VOGELSANG
DALLAS,
e. a.
(1808—1879),
KARL
weerden
VON Z I T T E L
CARPENTER
KARL W I L H E L M VON G Ü M B E L ( 1 8 2 3 — hielden
( 1 8 3 8 — 1 8 7 4 ) , KARL
FERDINAND
ROMER
eozoön AIÖBIUS
(1818—1891)
H. KING, dat het eozoöngesteente niets anders w a s d a n een
mengsel van mineralen, terwijl J A M E S D W I G H T D A N A ( 1 8 1 3 - - 1 8 9 5 )
meende, d a t in elk geval de organische structuur van het voorw e r p niet voldoende bewezen w a s . De fossiele overblijfsels van dieren en planten zijn vaak ook chemisch geheel gewijzigd en van samenstelling veranderd. Bij planten heeft meestal verkoling plaats gehad, waarbij de plant, dikwijls met behoud van haren vorm, geheel of gedeeltelijk in koolstof is o v e r g e g a a n ; holle stammen vertoonen dikwijls een kern van steen en f e n verkoolden h o u t - en bastcilinder. Van bladeren en takken zijn menigmaal slechts de verkoolde afdruksels overig. Dierlijke overblijfselen, zooals beenderen, zijn meestal versteend, hetzij door middel van koolzure kalk, hetzij met k i e z e l z u u u r ; somtijds ook spelen' ertsen, b. v. zwavelijzer de rol van versteeningsmiddel. Z o o komt het, d a t d e fossielen ook wel den naam dragen van petrefacten of versteeningen. Het spreekt van zelf dat in de allereerste plaats de harde, vaste deelen van een fossiel bewaard gebleven zijn : z o o b. v. de kalken kiezelschalen d e r r h i z o p o d a ; de kiezelpantsers der diatomeeën of kristalwieren ; d e kalkwoningen der koraaldieren ; het uitwendig kalkskelet der zeeëgels of zeekülten ; d e schelpen der weekdieren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's