1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 135
127
Van de uitgestorven vogels der geologische middeleeuwen is er geen zoo vermaard geworden als de oervogel van Solnhofen of archaeopterix lithographica. In 1861 werd het eerste versteende geraamte van dit dier gevonden in de juraformatie bij Solnhofen aan de Altmühl in Beieren. Dit geraamte was echter niet geheel volledig; kop, hals en een deel van den romp, met name het borstbeen ontbreken. De veeren waren echter zeer duidelijk. De wervels van dit in lithographischen leisteen ingesloten dier waren dubbelhol of biconcaaf; de wervelkolom liep uit in een langen vrijen staart, die 20 wervels telde en aan beide zijden fraaie veeren droeg. Aan de voorste ledematen bevonden zich 3 vingers, alle van klauwen voorzien; de achterste ledematen, de eigenlijke pooten, hadden 4 teenen met klauwen. Zoolang en omdat er niets meer van dit dier bekend was, waren de geleerden het niet eens over zijne plaats in het dierenstelsel; sommigen wilden het tot de vogels rekenen, anderen maakten er een kruipend dier van en gaven het den naam van gryphosaurus of raadselachtige hagedis. Tot grooten spijt der Duitschers werd het merkwaardige fossiel id 1863 voor 7200 gulden aangekocht door het Britsche museum en naar Londen gevoerd. Hier werd het onderzocht door RICHARD OWEN, den „Engelschen Cuvier," die het den naam gaf van archaeopteryx of oudste gevleugeld dier en een fraaie teekening van het dier vervaardigde, zooals het er naar zijne meening moet hebben uitgezien. Volgens deze teekening is archaeopteryx op en top een vogel. Niet alle geleerden waren hiervan echter ten volle overtuigd. Nog in 1871 schreef LuDwiG K. SCHMARDA (1810—1908) in zijne zoölogie, dat het dier veel overeenkomst vertoonde met de schrikhagedissen of dinosauriars, doch dat het waarschijnfijk een vogel en geen reptiel was. Inmiddels gingen er ook stemmen op, die beweerden, dat het fossiel niet echt was, maar dat het hagedisachtige dier op kunstmatige wijze van veeren zou zijn voorzien en dat dus de Engelschen zich zouden hebben laten bedotten. „Op die zware beschuldiging, schrijft E. M. BEIMA in 1867 in zijn werk: de aarde voor den zondvloed, is van Engelsche zijde tot dusver niet geantwoord. Men is nog in het onzekere of de vogel werkelijk bestaat, dan of hij naar het gebied der hedendaagsche fabeltjes verwezen moet worden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's