Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 105

2 minuten leestijd

97 zooais blijkt uit paring van dieren, waarbij de geslachten in één bepaalde erfelijke eigenschap verschillen. Het geslachts-chromosoom toont ook de drager te zijn van zoo'n erfelijke eigenschap, die bij een der geslachten voorkomt. Nu blijft nog over te onderzoeken, hoe de chromosomen bepaalde eigenschappen te voorschijn roepen, en het raadsel der overerving is volgens L. herleid tot een cytologisch, physischchemisch vraagstuk. Even als bevruchting en overerving zijn ook andere processen der levende organismen voor L. te reduceeren tot physisch-chemische werkingen. Hier beantwoordt hij nog de vraag, hoe met deze opvatting de doelmatige bouw der organismen te rijmen valt. Dit is zeer eenvoudig, omdat andere organismen door hunne organisatie niet tot volledige ontwikkeling komen en dus niet gezien worden. Practisch is het b.v. mogelijk de eieren van een marine beenvisch te bevruchten met sperma van ieder andere marine beenvisch, maar de gevormde larven hebben als regel geen levensvatbaarheid: ook als er hart, bloedvaten en bloed zijn, blijft b.v. de circulatie uit. Als een organisme zich blijvend ontwikkelt, is dit dank zij de doelmatige organisatie. Zelfs sperma van niet verwante dieren kan larven geven, maar ze ontwikkelen zich maar tijdelijk. L. schrijft dit toe aan abnormaal verloop der chemische reacties, b.v. der oxydatie. Wat zich kon ontwikkelen, moet wel harmonisch zijn. Ook ons innerlijk leven zal mettertijd, hoopt L., physischchemisch te verklaren zijn, en hij wijst daarvoor op enkele manifestaties van het dierlijk instinct, door hem dierlijke tropismen genoemd. De neiging van vele insecten om naar het licht te vliegen, beschouwt L. in verband met de wet Bunsen-Roscoe voor de lichtwerking. In de oogen (of huid) dier beesten zit een stof, die door licht chemisch verandert; het gevormde photochemisch product heeft invloed op de contractie der spieren. Belichting van één kant heeft dus bij zoo'n vliegend insect noodzakelijk eene draaiing ten gevolge, totdat het dier zich in de richting der lichtbron beweegt. Zwak licht werkt langzamer in, eischt meer tijd, maar de dieren komen langs een zigzaglijn toch bij hetjicht terecht. Als dan ons zieleleven wordt beschouwd als de som van erfelijke instincten, die physisch-chemisch werkzaam zijn en wij H

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 105

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's