Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 149

2 minuten leestijd

141 in Wurttemberg in het dal der Jagst en in den bevroren bodem van Siberië. Bij eene lengte van 4 bereikte de wolharige neushoren eene hoogte van 2 meter en bezat 2 horens, waarvan de voorste door den beenigen neuswand gedragen werd en meer dan 75 centimeter lang werd. Snijtanden waren niet aanwezig en de dikke huid was deels met borstelige, deels met wolachtige haren bedekt. Zijn voedsel bestond vooral uit boombladeren. Merkwaardig is het, dat de meeste der gevonden lijken van den mammoet en van den wolharigen neushoren overeind in den bevroren Siberischen bodem stonden, dat de bloedvaten in den schedel met dik geronnen bloed gevuld waren en dat bij sommige cadavers neusgaten en bek wijd open stonden. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat deze dieren niet door koude of door honger zijn gestorven, maar dat zij geheel onverwacht en plotseling door verstikking zijn omgekomen. Volgens sommige geleerden zouden zij daar in drijfzand of in de weeke klei gezakt zijn, waaruit zij zich niet konden redden en dus jammerlijk moesten te gronde gaan; anderen, b. v. ALFRED NEHRING (1845— 1904) zijn van meening, dat zij bij hevige sneeuwstormen, zooals die nog heden ten dage in Noord-Amerika en in Rusland plaats hebben, bedolven zijn onder de meters hooge sneeuw, die zich vooral ophoopte langs de glooiingen der dalen en de hellingen van heuvels, en daarin als in een ijskelder bewaard bleven. Het waarschijnlijkst is echter, dat zij door een grooten watervloed, waarschijnlijk wel door den zondvloed zijn gedood en met slijk en modder bedekt. Onder al de Europeesche diluviale zoogdieren is er een, dat geheel van de thans levende afwijkt en waarvan in 1878 een 86 centimeter lange schedel uit de Wolga gehaald werd. Ook in Siberië, in Hongarije en aan de Rijn zijn beenderen van dit dier gevonden. Dit is het elasmotherium, een dier zoo groot als een olifant, doch van den bouw van een neushoren en met tanden, veel gelijkende op die van een paard. Op het voorhoofdsbeen bevindt zich een dikke knobbel, die waarschijnlijk een hoorn van reusachtige grootte heeft gedragen en derhalve vermoedt men niet zonder grond, dat dit beest de eenhoorn der ouden is. „Niet onmogelijk is het, zegt MELCHIOR NEDMAYR (1845—1890), dat in Siberië het elasmotherium tegelijk met den mensch geleefd heeft en door hem uitgeroeid is; volgens be-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 149

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's