Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 138

2 minuten leestijd

130

overblijfselen gevonden van andere gewervelde dieren, alsmede van de ongewervelde, doch verreweg de meeste daarvan behooren tot familiën en geslachten, die nog in den tegenwoordigen tijd leven en dus betrekkelijk weinig van de hedendaagsche diersoorten afwijken. Om deze reden en ook uit plaatsgebrek zullen we ons ertoe bepalen om eenige der belangrijkste uitgestorven zoogdieren, vooral uit de tertiaire en diluviale formaties te bespreken en slechts bij hooge uitzondering stilstaan bij een der andere uitgestorven dieren. Zoo mogen we b. v. van de amphibiên niet onvermeld laten den beroemden thans in Teylers museum te Haarlem aanwezigen fossielen reuzensalamander van JOHANN JAKOB ScHEUCHZER, (1672—1733) ook welandrias scheuchzeriof Scheuchzer's menschenbeeld geheeten, die in 1726 in eene miocene of oudtertiaire laag te Oeningen in hetZ. van Baden bij de Zwitsersche grens gevonden werd en eerst voor een fossielen mensch werd gehouden. Dit fossiel, waaraan de ontdekker den naam gaf van homo diluvii testis, wijl hij het hield voor het geraamte van een door den zondvloed omgekomen mensch, komt in vorm en in grootte bijna volkomen overeen met den thans nog levenden Japanschen reuzensalamander of cryptobranchus japonicus, die eerst in 1829 in Europa bekend is geworden. Reeds in 1787 beweerde de beroemde Nederlandsche geneesheer PETRUS CAMPER (1722—1789) dat men hier met een salamander of met een hagedis te doen had en de bekende Fransche dierkundige G. CUVIER sprak in 1811 dezelfde meening uit. Benevens eenige apen, waarvan de voornaamste zooals de mesopithecus, de dryopithecus en de pithecanthropus elders door mij besproken zijn^), verdienen van de uitgestorven zoogdiergeslachten en zoogdiersoorten, waarvan men in de tertiaire lagen en in de diluviale formatie overblijfselen gevonden heeft, genoemd te worden : palaeotherium, anoplotherium, xiphodon, zeuglodon, tinoceras, machairodus, mastodon, dinotherium, hippotherium, megatherium, mylodon, megalonyx, glyptodon, grypotherium, ursus spelaeus, hyaena spelaea, felis spelaea, elephas antiquus, elephas primigenius, rhinoceros merkii, rhinoceros tichorhinus, cervus euryceros, siwatherium. Van de meeste dezer dieren zijn de overblijfsels in 't geheel niet versteend, maai volkomen gaaf en dikwijls ge1) Zie mijn „Twee vragen des tijds", pag. 91—93; Kampen, J. H. Kok.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 138

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's