1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153
145 dekt van een vogel, die tot de familie der struisvogels moet gerekend worden en nog grooter zou geweest zijn dan de moa. Deze reuzenvogel van Madagascar, misschien wel de roek of rock der oostersche volken, ontving den wetenschappelijken naam van aepyornis maximus, hetgeen ongeveer zooveel beteekent als zeer hoogc vogel. In het jaar 1850 vond ANTOINE D'ABBADIK (1810—1897) bij de bewoners van het genoemde eiland eierschalen, die zij als vaatwerk gebruikten en die zij in het riet hadden gevonden. Deze eieren, die eene lengte hadden van 34 en eene dikte van 24 centimeter, stonden in inhoud gelijk met ongeveer 140 kippeneieren. In 1851 werden ten gevolge eener aardstorting als bij toeval nog twee zulke eieren gevonden en naar Parijs (in het palaeontologisch museum) gebracht; een daarvan had een inhoud van 10.5 liter en beide waren zoo gaaf alsof ze pas gelegd waren. Later werden in rivierklei eenige beenderen der achterste ledematen gevonden, o.a. een scheenbeen van 60 centimeter lengte. Aan eiken voet had de vogel 3 teenen. Volgens de inboorlingen zou hij nog in de 19- de eeuw in de bosschen van het binnenland geleefd hebben. Ten O. van Madagascar liggen de vulkanische Mascarenen n.l. Reunion, Mauritius en Rodrigues, zoo genoemd naar den Portugees Mascarenhas, die ze in 1505 ontdekte. Nog in de 17de eeuw leefden hier verschillende soorten van vogels, die sedert dien tijd uitgestorven zijn en waarvan de dronte of dodo, door de geleerden didus ineptus of domme dido geheeten, een der merkwaardigste is. De dodo was een onbeholpen vogel ter grootte van een zwaan ; hij bezat een dikken kop en een grooten bovensnavel, die aan de punt haakvormig gebogen was. De vleugels waren klein en tot vliegen ongeschikt; de zeer korte staart was aan het uiteinde met opwaarts gekrulde veeren versierd. De pooten waren kort, maar zeer stevig en hadden 4 geheel gescheiden teenen, die alle even hoog waren ingeplant. Daarom wordt deze vogel, door de Nederlandsche zeelieden ook wel dodaars geheeten, thans veelal tot de orde der duiven gerekend. Zijne kleur was grijsachtig; rondom den kop bevond zich eene dikke huidplooi „in maniere van een kapken," en de maag bevatte meestal een steen ter grootte van eene vuist. In 1497 trof de Portugeesche zeevaarder VASCO DA GAMA (1469— .1524) op zijne reis naar Voor-Indie een groot aantal van deze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's