1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 43
35
van Düdaïm '). Missciiien moet liierbij eerder aan vrucliten dan aan wortels gedacht worden. De vruchten dienden dan voor een liefdedrank. Uit deze beide plaatsen in den Bijbel blijkt, van hoe ouden datum het gebruik van bijgeloovige middelen is. Dat het Israëlitische volk hierin ook niet alleen stond, kan men weer opmaken uit de oudste litteratuur van andere volken. De gedichten van Homerus leeren ons, dat ook de oude Grieken het gebruik van toovermiddelen kenden, met name ook middelen uit het plantenrijk. In het 10de boek van de Odyssea (vs. 289 etc.) wordt een tooverkruid genoemd, dat Odysseus van Hermes ontving, om zich daardoor te kunnen beschermen tegen de tooverkunsten van Circe. VS. 287. Neem dit heilzame kruid en begeef u tot de woning van Kirl<e ; 't Zal van uw tioofd wis weren den sclirikli]l<en dag van het ontieil. Kirke's gevaarlijke kunsten, ik zal ze u alle vermelden. Wijnnioes zal zij u maken, met heillooze kruiden het mengend. Nochthans zal zij u daar niet mede betoovren, dit heilkruid Zal er de kracht van verhindren. etc. VS. 302. Alzoo sprekend gaf mij de Argosdooder het heilkruid, Daar uit den bodem het rukkend, en wees mij zijn aard en zijn wezen 't Was aan de wortelen zwart, doch melkwit was het van bloesem. Molie noemen 't de goden; dit plukt geen sterfelijk wezen Zonder gevaar; doch alles vermogen de eeuwige goden.
Over dit kruid, door Homerus lun/.i genoemd, is al heel wat te doen geweest. De gegevens van HOMERUS, dat de wortels zwart zijn en de bloemen wit, terwijl de wortel door menschen moeilijk uit de aarde te krijgen is, zijn niet bijzonder volledig om de plant te determineeren. Gewoonlijk wordt de Moly voor een Alliumsoort gehouden, maar over de soort loopen de meeningen zeer uiteen. Ook in later tijd komen onder de tooverplanten steeds Alliumsoorten voor, zoodat deze meening zeer goed juist kan zijn, hoewel het natuurlijk ook mogelijk is, dat men hier in t) De Kantteekenaren zeggen bij Gen. 30: 14 „dit woord beteekent eenige lieflijke vruchten of bloemen, zeer aangenaam van reuke, verwe en smaak: hoedanige bij ons plegen genoemd te worden Minnebloemen of Liefappelen" en bij Hoogl. 7 : 13: „de rechte beteekenis dezes woords is ons onbekend, 't En kan geen Mandragora zijn zoodanig als die bij ons bekend is, gelijk sommigen meenen, overmits onze Mandragora eenen stinkenden reuk heeft, die het hoofd zwaar en slaperig maakt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's