Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 140

2 minuten leestijd

132

voor een hagedis en noemde het basilosaurus, QRATELOUP zag er eene soort van haai in en noemde het squalodon, ALBERT KOCH die de eerste beenderen van dit dier opgroef uit eene eocene kalklaag bij Mobile in den staat Alabama, gaf er den naam aan van hydrarchos. Den naam zeuglodon heeft deze vleeschetende walvisch, die 20 meter lang werd, ontvangen van R. OWEN naar den vorm der kiezen, die op draagjukken gelijken. In 1870 vond O. MARSH in het Z. W. van den staat Wyoming, in eocene lagen aan den bovenloop der Green river, verscheiden volledige geraamten van groote hoefdieren ; aan een daarvan gaf hij den naam van reuzenhorendier of tinoceras ingens. Dit dier, dat tot de uitgestorven orde der dinoceraten of schrikhoornigen behoort en ongeveer 5 meter lang en ruim 2 meter hoog is, is vooral merkwaardig door zijn schedel, die 6 uitsteeksels of horens draagt. Twee dezer beenige uitsteeksels staan voor op den neus ; de beide volgende zijn boven de wortels der beide hoektanden geplaatst en de twee achterste en grootste verheffen zich achter op den schedel. De hoektanden der bovenkaak steken evenals bij een walrus ver uit den bek; de voeten eindigen in 5 teenen met hoeven. Misschien heeft dit dier, half olifant, half neushoren, ook eene slurf gehad. Alleen in Noord-Amerika en nergens elders zijn overblijfsels gevonden van tinoceras en van de orde, waartoe het behoort. Een groot katachtig roofdier der tertiaire periode, dat in Amerika en misschien ook wel in de Oude Wereld nog tijdens het diluvium leefde, was machairodus of sabeltand, zoo geheeten naar de geweldig groote, dolkvormige hoektanden der bovenkaak. Te Eppelsheim bij Worms, in de miocene kalklagen van Auvergne, in Braziliƫ, in Voor-Indie en op vele andere plaatsen zijn schedels en volledige geraamten gevonden van dit roofdier, dat de grootte bezat van een luipaard. Van de vele soorten noemen wij slechts den breedtandigen en den Amerikaanschen dolktand, die de wetenschappelijke namen dragen van machaerodus latidens en machaerodus neogaeus. Aan de machaerodussoorten der Nieuwe Wereld wordt dikwijls de geslachtsnaam smilodon of mestand gegeven ; men noemt ze ook pampasleeuwen. Mastodon of tepeltand was een groote voorhistorische olifant met een lange slurf, met 5 teenen aan eiken poot en met 2 zwak gebogen slagtanden in de bovenkaak. Sommige soorten van dit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 140

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's