Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 156

2 minuten leestijd

14tS landen en op al de eilanden rondom en in het noordelijke gedeelte van den Atlantischen oceaan; vooral in Noorwegen, op de Shetlandeilanden en Faröer, op IJsland en in Groenland waren reuzenalken zeer talrijk. De reuzenalk behoort tot de zwemvogels en wel tot de familie der duikvogels; de vleugels gelijken op vinnen en zijn slechts zeer onvolkomen bevederd, zoodat zij alleen tot zwemmen en duiken, niet tot vliegen konden dienen. De korte pooten zijn zeer ver naar achteren geplaatst; de voeten hebben drie naar voren gerichte teenen, die door zwemvliezen verbonden zijn; zulke voeten noemt men zwemvoeten. Er is geen achterteen aanwezig. De snavel is hoog, zijdelings samengedrukt en ver gespleten. De bovenkant van het dier is zwart, de borstzijde wit. Het voedsel der reuzenalken bestond hoofdzakelijk uit visschen ; de vogel legde slechts één ei en wel in de maand Juni, en dit meer dan 11 centimeter lange, met bruine en zwarte stippen en vlekken versierde ei werd door het mannetje en het wijfje afwisselend bebroed. Vele hedendaagsche leerboeken bevatten nog eene afbeelding van dezen vogel, die er ongeveer uitzag als de Patagonische pinguïen. Op de Faröer werd voor het laatst een reuzenalk gezien in 1786; na 1829 werd op St. Kilda ten W. van de Hebriden geen brilalk meer waargenomen en in 1844 zijn op het eilandje Eldey bij IJsland waarschijnlijk de beide laatste reuzenalken gedood ; deze twee bevinden zich thans in het museum van nat. hist, te Kopenhagen. Wellicht zijn er tegenwoordig in de gezamenlijke musea niet meer dan 24 volledige geraamten en 80 opgezette reuzenalken, en het aantal aanwezige eieren van dezen merkwaardigen vogel bedraagt 74. In 1909 werd te Londen een ei van den reuzenalk verkocht voor 2400 gulden. De oeros of bos primigenius, een groot diluviaal rund met min of meer horizontaal staande horens was in ons werelddeel ten N. der Alpen nog na het begin onzer tijdrekening vrij talrijk. JULIUS CAESAR leerde het dier kennen in het Hercynische woud en beschrijft het als een zeer krachtig en vlug beest, slechts weinig kleiner dan een olifant. De horens werden als blaasinstrumenten gebezigd en nog in de middeleeuwen als drinkbekers gebruikt. Eerst in het begin der 17de eeuw is de oeros voor goed uitgestorven. In paalwoningen, in diluviale venen en in alluviale moerassen zijn vele overblijfsels van dit dier ge-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 156

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's