Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 147

2 minuten leestijd

139 lang en meer dan 100 kilogram zwaar zijn. Bij den mammoet is de kop iets langer en het voorhoofd iets breeder dan bij den Indischen olifant; de ooren zijn klein en dicht behaard en de huid is geheel en al bedekt met roodbruin wolhaar, dat aan borst en hals het langst is. De beide slagtanden zijn niet in een cirkel omgekruld maar in eene spiraal gewonden en aan het uiteinde benedenwaarts omgebogen; het voedsel van den mammoet bestond uit grassen en uit loof van allerlei boomen, zooals dennenaalden, berken- en wilgenbladeren. In westelijk Europa werd de naam mammoet het eerst bekend door den geleerden NICOLAAS WITSEN (1641 — 1717), die eenige jaren burgemeester van Amsterdam was en reeds op vrij jeugdigen leeftijd Rusland bezocht. Hier vergaderde hij een schat van wetenswaardigheden en legde die neer in een werk, getiteld „Noord- en Oost-Tartarije beneffens verschelde tot noch toe onbekende gewesten in de Noorder- en Oosterlijkste gedeelten van Asia en Europa", dat echter eerst in 1692 verscheen en thans vrij zeldzaam is. Hierin vermeldt hij o. a., dat aan de oevers der Siberische rivieren groote hoeveelheden olifantstanden gevonden worden en dat het dier, waarvan die tanden afkomstig zijn, daar mammoet heet, welke naam ongetwijfeld afkomstig is van het Hebreeuwsche woord behemot. In 1611 werd voor het eerst een slagtand van een mammoet naar Europa en wel naar Londen gebracht door den Engelschen zeevaarder JONAS LOOAN, dien hij uit het land der Samojeden had medegenomen. De jezuïet AVRIL die in 1685 Siberië bereisde, vermeldt dat de Russen eene soort van ivoor bezitten, dat niet afkomstig is van levende olifanten, maar van een dier dat behemot genaamd en in de rivier de Lena gevonden wordt. De hoeveelheden ivoor, in den loop der jaren uit Siberië verkregen, grenzen aan het ongelooflijke. In 1821 verzamelde een ivoorzoeker uit Jaköetsk 8200 kilogram mammoettanden. Van 1825 tot 1831 werd per jaar alleen te Jaköetsk niet minder dan 24500 kilogram fossiel ivoor aan de markt gebracht. ALEXANDER THEODOR MIDDENDORP (1815—1894) rekent uit dat Siberië gemiddeld ieder jaar meer dan 110.000 kilogram aan slagtanden van den mammoet oplevert en NIELS ADOLF ERIK NORDENSKIÖLD (1832—1901), de beroemde reiziger die het eerst in 1878 en 1879 met twee schepen langs de geheele noordknst van Siberië voer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 147

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's