1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 151
143 meestal door zijn toedoen van de aarde verdwenen ; met vele is dat eerst in historischen tijd geschied en dikwijls kan men nagaan, in welke eeuw deze dieren voor het laatst zijn waargenomen. Over het algemeen zijn de grootste, niet in het water levende dieren het meest aan de verdelgingswoede van den mensch blootgesteld, en vandaar dan ook dat alleen in den historischen tijd reeds honderden vogelsoorten en tientallen van grootere en kleinere zoogdieren zijn uitgeroeid. En nog steeds is er geen einde aan 's menschen vernielzucht; nog steeds hoort men van dieren, die of reeds verdwenen zijn of die op het punt staan het schouwtooneel der aarde te verlaten. Dat men de overblijfsels van zulke dieren veelal niet fossiel kan noemen, ligt voor de hand : immers worden ze meer op dan in den bodem gevonden. Tot de in den alluvialen tijd uitgestorven dieren behooren o.a. de vogelsoorten moa of dinornis giganteus, reuzenvogel of aepyornis maximus, dronte of didus ineptus, reuzenalk of alca impennis, de zoogdiersoorten oeros of bos primigenius en Stellersche zeekoe of rhytina stelleri, terwijl een aantal andere reeds zoo zeldzaam zijn, dat er niet aan getwijfeld kan worden of zij zullen ook weldra tot de uitgestorvene moeten worden gerekend. Van deze laatste vermelden wij slechts: Amerikaansche bison of bison americanus, Europeesche bison of bison europaeus, Alpensteenbok of capra ibex, eland of alces palmatus, okapi of ocapia johnstoni, quagga of equus quagga, zeeolifant of otaria jubata, emoe of dromaeus novae hoUandiae, dwergstruis of kiwi-kiwi of apteryx australis en reuzen- of olifantschildpad of testudo elephantina. Niet vele eeuwen geleden leefden er op Nieuw-Zeeland in Australiƫ vogels, waaraan de inboorlingen, de Maori's, den naam van moa's gaven. De grootste soorten bereikten de bijna ongelooflijke hoogte van 4 meter en worden daarom door de geleerden dinornis giganteus en palapteryx ingens genaamd. De moa's behooren tot de orde der struis- of loopvogels en geleken misschien het meest op den thans nog op Nieuw-Holland levenden emoe. Zij bezaten geen of weinig ontwikkelde vleugels, stevige massieve beenderen en krachtige pooten met 3 teenen. Het is echter waarschijnlijk, dat het geslacht palapteryx 4 teenen aan eiken poot had en dus in dit opzicht met den Australischen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's