Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 130

2 minuten leestijd

122 Tot de grootste labyrinthodonten of doolhoftandigen, ook wel pantsersalamanders geheeten, behoort het geslacht mastodonsaurus of tepeltandhagedis, waarvan schedels en stukken van den romp in de triaslagen van Wurttemberg gevonden zijn en te Stuttgart bewaard worden. De soorten van dit geslacht vereenigen de kenmerken van amphibiën en reptiliën en hebben eigenlijk meer van salamanders dan van hagedissen. De vier pooten dezer dieren zijn kort en een groot deel van het lichaam was met huidschilden bedekt. De staart was waarschijnlijk even lang als de romp ; de talrijke tanden hebben geen wortel, maar zijn buitengewoon stevig vastgehecht in zeer ondiepe holten der kaken en der gehemeltebeenderen, hebben den vorm van een eenigszins gebogen kegel en zijn van binnen hol. In golfvormige plooien ligt het tandbeen of dentine om die holte heen : van daar de naam van doolhoftandigen. Eene der reusachtigste soorten van het geslacht mastodonsaurus heet mastodonsaurus giganteus; de schedel van dit dier is een meter lang en twee derde meter breed en gelijkt op den kop van een kikvorsch. Volgens EBERHARD FRAAS (geb. 1862) zou dit dier eene lengte van wel 4 meter gehad hebben. Onder de Amerikaansche pantserhagedissen of pantsersalamanders verdient vooral vermelding de zonderlinge plantenetende triceratops flabellatus. De bek van dit dier is een spitse snavel; boven op den kop staan 2 lange en 2 korte horens. Rondom den 2 meter langen schedel bevinden zich een groot aantal spitse beenderen, die eene soort van kraag vormen. De orde der dinosauriërs of schrikhagedissen, die haar naam ontvangen heeft van RICHARD OWEN (1804—1892), bevat een groot aantal soorten, die alle uitgestorven zijn en waarvan sommige eene lengte van meer dan 20 meter bereikten. Zij leefden alle op het land, bezaten 4 ledematen en waren deels met beenplaten, deels met hoornachtige schubben bedekt. De voorste wervels zijn van voren bol en van achteren hol; de overige wervels zijn aan beide kanten plat of zeer weinig uitgehold. Aan de voorpooten bevinden zich 5 teenen. In Engeland, België, Zuid-Duitschland en in den laatsten tijd in Noord-Amerika zijn vele, soms vrij volledige geraamten dezer dieren ontdekt. Slechts enkele geslachten en soorten van deze merkwaardige orde der reptiliën kunnen wij hier bespreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 130

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's