1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 121
113 schriftsteenen, die tot de hoofdgroep der holtedieren of coelenterata en wel tot de klasse der kwalpolypen gerekend worden. Men heeft ze o.a. gevonden in Zweden, in Bohème, in den Harz, in de Fransche provincie Bretagne en in Engeland. Hunne fossiele resten, die bij honderdduizenden tusschen silurische leisteenlagen liggen, bestaan uit rechte, kromme of spiraalvormige staafjes, die door een dun verkoold huidje omgeven zijn en den indruk te weeg brengen alsof de leisteenlaag beschreven is. We mogen niet geheel met stilzwijgen voorbijgaan de cystideeën of zeeappels en de blastoïdeeën of zeeknoppen, twee geheel uitgestorven klassen van de hoofdgroep der stekelhuidigen en die uitsluitend in de aardlagen der palaeözoïsche groep worden aangetroffen. De cystideeën, b.v. caryocrinus ornatus en echinosphaerites aurantium, bestaan uit een bol- of tolvormig lichaam, gewoonlijk kelk genoemd, dat door een steel of onmiddelijk aan een ander voorwerp is vastgehecht. De kelk is bedekt met veelhoekige plaatjes, die tallooze openingetjes bezitten ; de mond ligt aan de bovenzijde niet ver van de darmopening. De armen zijn klein of ontbreken. Terwijl de zeeappels vooral in de silurische formatie voorkomen, worden de eerst in 1811 ontdekte blastoïdeeën hoofdzakelijk in de devonische en carbonische formatie gevonden. Zij bezitten geen armen en gelijken op een bloemknop, die aan een dunnen uit leden bestaanden steel bevestigd is. Pentatremites florealis is in de Amerikaansche en codonaster in de Engelsche kolenkalk gevonden. Van de uitgestorven insecten der primaire periode noemen we alleen woodwardia nigra, die veel op onze hedendaagsche puistenbijters of waterjuffers geleek en zijn naam ontvangen heeft van ALEXANDRE BRONGNIART (1770—1847). Zooals bekend is, zijn steenkolen de verkoolde overblijfsels van planten ; eenige van deze uitgestorven planten willen we in het kort bespreken. Lepidodendron of schubboom was een reusachtige boom, die verwant is aan onze tegenwoordige kleine lycopodiaceeën of wolfsklauwen. De stam bereikte een omtrek van 3 en eene hoogte van 30 meter, was met schubben bedekt en bezat lancetvormige bladeren ; het meest komt voor lepidodendron veltheimianum. Sigillaria of zegelboom kwam in vele opzichten met de vorige overeen ; de meestal platgedrukte stam vertoont van buiten groeven, die er in de lengte overheen loopen en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's