Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 157

2 minuten leestijd

149 vonden, waaronder verscheiden volledige geraamten. De Deensche geleerde J. J. STEENSTRUP (1813—1897) vond op het eiland Möen onder in een boschveen een geheel skelet te midden van dennenaalden, en in 1887 werd ook bij het Schwielochmeer, ten N. O. van Lubben aan de Spree, een volledig geraamte van den oeros opgegraven. Volgens ALFRED NEHRING (1845—1904) is de oeros de stamvader van ons tegenwoordig huisrund, volgens LuDWiQ RüTiMEYER (1825—1895) is hij een der stamvaders. Men moet dit dier vooral niet verwarren met den wisent of Europeeschen bison, die den wetenschappelijken naam van bos bison of bison europaeus draagt en alleen nog in het woud van Bjalowicza in Litauen, alsmede in den Kaukasusgevonden wordt. De noordsche of Stellersche zeekoe, rytina gigas of rhytina stelleri, wegens zijne ruwe, barstige huid ook schorsdier geheeten, een plantenetende walvisch, die veel op den dugongvan onze Oost moet hebben geleken, kwam vroeger veel in de Bering-zee voor. Het dier had eene lengte van meer dan 8 meter en aan den buik een omtrek van bijna 6 meter. Kop, oogen en ooren waren klein ; in den bek waren geen tanden aanwezig, maar elke kaak was voorzien van eene geribde hoornplaat. De huid was dik, zeer hard en geheel kaal ; de staart eindigde in eene loodrechte, halvemaanvormige, 2.5 meter breede vin. Achterste ledematen ontbraken; de voorste ledematen waren vinnen en aan de onderzijde met lange borstels bezet. Dit zeedier werd het eerst in 1741 ontdekt, gevangen, gedood, opgegeten en beschreven door GEORG WILHELM STELLER 1709— 1746), die als wetenschappelijk zoöloog den in Russischen dienst getreden Jutlander VITUS BERING (1680—1741) vergezelde op zijne derde expeditie naar Oost-Azië. Zooals bekend is, leden BERING en zijne tochtgenooten schipbreuk bij een onbewoond eiland ten O. van Kamtsjatka, waar zij allen behouden aan land kwamen en eenige maanden doorbrachten. Op dit eiland,'later Bering-eiland geheeten en behoorende tot de tegenwoordige Kommandeurseilanden, bezweek de aanvoerder BERING aan scorbut of scheurbuik. De leden der expeditie vingen hier zeer'gemakkelijk met harpoenen de onnoozele zeekoeien, die blijkbaar den mensch nog niet kenden. Ongeveer tien maanden lang leefden zij hoofdzakelijk van het smakelijke, hoogroode en zeer duurzame

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 157

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's