1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 226
218 gen. Wij zouden zeker de opgezetenen hunner landen er niet om afwijzen. Tot zoover is dus alles in orde. Wij doen en laten wat wij als miss. artsen meenen te moeten doen en degenen die toevallig voor hun opgezetenen daarvan eenig profijt hebben, zijn zoo vriendelijk ons daarvoor een tegemoetkoming te geven. Maar zoo moet het m. i. dan ook blijven. Toen onlangs een der heeren tot uiij kwam met de opdracht, om te vragen of alle kosten ten behoeve der opgezetenen wel gedekt werden door de contributie, daar de heeren niet wilden, dat hiervoor geld uit Holland zou moeten komen, heb ik voor het aanbod om op dien grond de contributies te verhoogen, meenen te moeten bedanken, hoewel de goede gezindheid tegenover ons hospitaal, die er uit blijkt, natuurlijk ten zeerste gewaardeerd wordt. Ik zeide o. a. dat de Geref. kerken behoefte gevoelen om een zendingshospitaal te hebben en als ze dit willen, dan moeten ze daar ook geld in blijven steken. Subsidies en contributies zijn goed, maar moeten ten slotte niet zulke afmetingen aannemen, dat het hospitaal voor de eene helft bekostigd zou worden door 't Gouvernement en voor de andere helft door de landhuurders. Werd dit het geval, dan zou het er op den duur onfeilbaar naar toe gaan, dat de miss. arts werd beschouwd als zijnde half in Gouvernements- en half in ondernemingsdienst en dat de kerken mochten toezien, hoe de zaken zouden loopen. Reeds nu bezwaart mij soms de genoten contributie. En wel om deze reden. Als er twee Javanen komen, overigens gelijk, doch de een met een briefje van den beheerder eener contribueerende onderneming en de ander zonder dat, dan heeft de eerste den meesten kans om 't eenig nog beschikbare bed te zullen beleggen. Hiertoe verplicht ons de contributie wel niet, maar onwillekeurig doen we toch zoo, want voor wat, hoort wat. En daarom, om vrij te blijven in alle opzichten, meen ik, dat we een wakend oog moeten openhouden, ook waar ons de gebraden duiven in den mond schijnen te vliegen. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. De bedoelingen van de zending en die van de landhuurders loopen volstrekt niet altijd parallel. En daarom moeten we bijtijds waken, dat onze finantiƫele afhankelijkheid niet te groot wordt. Mochten er
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's