Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 155

2 minuten leestijd

147 die ze, gelijk gemeld, in het Britsche museum plaatste. In de tweede helft der 19-de eeuw nam de geschiedenis van den dodo een gunstiger wending. Wel kon menden uitgeroeiden vogel niet weer levend maken en ook werden geen levende exemplaren meer gevonden, doch in 1855 vond BARTLETT te midden van klei en modder eenige beenderen, en tien jaren later werden door G. CLARK in een moeras bij Mahebourg aan de oostkust van Mauritius zooveel overblijfselen van den dodo gevonden, dat R. OwEN daardoor in staat gesteld werd, om bijna den geheelen vogel in elkaar te zetten. In 1889 ontdekte SAUZIER nog meer beenderen, die deels van dronten, deels van andere uitgestorven vogels afkomstig waren. Eindelijk vond THIRIOUX in een ongeveer 250 meter boven de zee bij Port Louis aan de westkust van Mauritus gelegen hol in het jaar 1899 beenderen van op zijn minst twee dodo's, bevevens talrijke overblijfsels van andere uitgestorven vogels en van kruipende dieren, die alle bewaard worden in het museum te Port Louis. Een andere vogel, die gewoonlijk ook tot de duiven gerekend wordt, maar tevens wel iets van een loopvogel had, was de kluizenaar, die den wetenschappelijken naam draagt van didus solitarius of pezohaps solitarius. Deze ook in de 17-de eeuw uitgestorven of uitgeroeide vogel kwam vooral op Bourbon en Rodriguez voor, en werd op het eerstgenoemde eiland, dat toen nog Mascarenhaz heette, het eerst waargenomen in 1619 door W. Y. BONTEKOE. Door BARTLETT werden in 1855 eenige beenderen van dit dier gevonden in alluviale gronden. In 1866 leverden eenige holen op Rodriguez meer dan 2000 beenderen, hoofdzakelijk van den kluizenaar. Twee van deze vogels waren in 1667 door FRANCOIS CARON van Bourbon of Reunion levend naar Frankrijk overgebracht, doch zij stierven spoedig en gingen geheel verloren. De kluizenaar bereikte de grootte eener gans, doch kon niet vliegen en had vrij lange pooten en een langer hals dan de dodo. Zijn snavel was kort en het vleesch welsmakend. De veeren hadden eene witte kleur; alleen de uiteinden der vleugels en de punt van den staart waren zwart. De reuzenalk of alca impennis, wegens een sneeuwitte vlek voor ieder der oogen ook brilalk geheeten, en wiens lengte bijna een meter bedroeg, is sedert het midden der 19de eeuw uitsterven. In de 17de eeuw werd hij nog veel gevonden in al de SHAW,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 155

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's