1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 107
99 één groote sterrenhoop vormen, die voortdurend warmte uitstraalt in de oneindige aetherzee. 't Gevolg daarvan moet op den duur echter zijn, dat alle warmte wordt afgestaan en de sterren volkomen afkoelen. Ook als men aanneemt, dat de aetherzee begrensd is tot ons melkwegstelsel, zoodat de energie niet verdwijnt, maar daarbinnen blijft, zal men ten slotte overal in het systeem eenzelfde temp. krijgen, alle warmtevervoer en daarmee alle leven is uitgesloten. Een ander bezwaar tegen zoo'n eindig systeem is, dat de sterren door botsing met allerlei kometen, meteoriten en stof op den duur hunne beweging verminderen en zich ten slotte saamballen tot een enorme klomp in het zwaartepunt van het systeem. Tegen beide opvattingen heeft A. het bezwaar, dat de wereld mettertijd een einde heeft, maar evenzoo is voor A. een bezwaar hierin, dat in beide gevallen de wereld een begin moet gehad hebben : en eene scheppingsdaad strijdt tegen de natuurwetten. A. geeft nu eene verklaring aan de hand om aan te toonen, dat de ontwikkeling van het heelal niet eenzijdig hoeft te verloopen, maar integendeel „einen pendelnden Verlauf hat", waardoor een bewegelijk evenwicht ontstaat: de verdeeling van materie en energie blijft ongeveer dezelfde. A. legt allereerst nadruk op de stralendruk, die steeds kleine deeltjes van de sterren wegvoert, zoodat dit proces de saamballing der sterren tegengaat. Ook wijst hij op het feit, dat een deel van het hemellicht door donkere lichamen (planeten, cometen, meteoriten, cosmisch stof) wordt onderschept. Daardoor lijken de verst verwijderde sterren rooder dan andere (roode stralen worden minst geabsorbeerd). Deze absorptie is echter niet zoo sterk, dat zij het afnemend aantal sterren bij grooter afstand verklaren kan. Kleine partikeltjes zullen, als zij het licht opnemen, de temp. der zon aannemen, wat wegens de kleine massa gauw geschiedt. Men komt daarom tot de aanname, dat in het heelal uitgestrekte koude lichamen moeten zijn, die de straling van het cosmisch stof en de sterren opnemen, zonder zelf warm te worden. Als zoodanig beschouwt men de nevels, die veelvuldig en in groote afmeting voorkomen. Zij kunnen, bestaande uit waterstof en helium, aan de gestelde eischen voldoen. Toevoer van warmte door straling zal de nevel doen uitzetten, maar die uitzetting werkt afkoelend. Om evenwicht te bewaren, moet de uitzetting zoo sterk zijn,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's