1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 137
129
1^
., 1'/ "
^l
L V
was in het begin van dit tijdperk waarschijnlijk aanzienlijk hooger dan thans, zoodat b.v. op Spitsbergen een vrij ontwikkelde plantengroei werd aangetroffen en in het midden van Europa palmen en pandanen tierden. Later volgde de zoogenoemde ijstijd of het diluvium, en na het diluvium, dat ongeveer 0.4 gedeelte van den bodem van ons land uitmaakt en ook het grootste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte bedekt, ontstond het alluvium, de hedendaagsche formatie, die met de diluviale vorming de quartaire periode of nieuwste geschiedenis der aardkorst uitmaakt en waarin de aardoppervlakte de tegenwoordige gedaante aanneemt. Het tertiaire en het quartaire tijdvak worden gewoonlijk saamgevat onder den naam van kaenozoïsche periode, die zich tot dezen tijd uitstrekt en waarin wij ons thans nog bevinden. Van de uitgestorven planten dezer periode noemen we alleen den barnsteenden, waaraan door HEINRICH ROBERT GÖPPERT (1800-1884) de wetenschappelijke naam van pinites succinifer is gegeven en die veel bijgedragen heeft tot vorming der bruinkoollagen in Bohème, Saksen en Hessen. Vooral in het N.O. van Duitschland vormde deze boom, die veel op onzen sparreboom geleek, uitgestrekte bosschen. Evenals onze tegenwoordige dennen en sparren, zweette ook deze naaldboom hars uit, dat eerst zeer vloeibaar was, maar later hard werd. Deze voorhistorische geel gekleurde harsklompen dragen den naam van barnsteen; de Grieken noemden het electron, vanwaar de naam electriciteit afkomstig is. Levende wezens, b. v. kleine insecten en spinnen, die toevallig in zulk een harsdruppel geraakten, konden er niet meer uit, maar werden geheel door het hars omringd en worden daarom dikwijls in het barnsteen aangetroffen. Aan de Duitsche kust der Oostzee en wel vooral in Samland, tusschen het Frische en het Koersche haff wordt vooral barnsteen gevonden en reeds duizenden jaren geleden was het „goud van Samland" een belangrijk handelsartikel. Fossiele overblijfselen van uitgestorven dieren der kaenozoïsche periode zijn er in menigte ontdekt. Over 't geheel zijn zij vrij goed gewaard gebleven en vele geven volstrekt niet den indruk, dat zij duizenden jaren oud zijn. Het zijn vooral de fossiele zoogdieren, waaronder vele vreemdsoortige en reusachtige monsters, die terecht onze verbazing wekken. Wel zijn er ook vele
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's