Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 154

2 minuten leestijd

146 vogels aan op het eiland do Cerne, dat later den naam van Mauritius verkreeg. Honderd jaren later, in 1598 bezocht de Nederlandsche admiraal JAKOB CORNELIS VAN NECK het eiland Mauritius en vond daar ook een groot aantal dronten, die zich met de hand lieten vangen en zelfs op de schouders der zeelieden gingen zitten. Bij hoopen werden zij doodgeslagen en opgegeten ; wijl hun vleesch echter zeer vet, taai en onaangenaam van smaak vvas, noemden de matrozen ze walgvogels. In 1606 zag CORNELIS MATELIEF ze nog in grooten getale op Mauritius ; in 1618 trof WILLEM IJSBRANDSZ BONTEKOE (1587—1650), eigenlijk W. IJ. DECKER geheeten, er vele aan op Reunion of Bourbon, die zoo verbazend vet waren, dat ze nauwelijks konden loopen. In 1681 wordt nog van levende dronten melding gemaakt; in 1693 vond de Franschman LEQUAT op Mauritius geen enkelen dodo meer en ook later is de vogel op geen der Mascarenen, noch levend noch dood, meer gezien. Merkwaardig is het, doch zeer te betreuren, dat er van dezen vogel zoo weinig is overgebleven ; eerst in de tweede helft der 19de eeuw heeft men er een groot aantal beenderen van ontdekt. Tot dien tijd toe moest men zich behelpen met beschrijvingen van Nederlandsche zeelieden, met een paar teekeningen en eenige weinige beenderen. De beste beschrijving werd gegeven door JACOB BONTIUS, die van 1627—1658 geneesheer te Batavia w a s ; zijne teekening van het dier is ontleend aan eene schilderij van ROELANDT SAVERY (1576—1639) in het Mauritshuis te 's Gravenhage. Ook in Londen en in Berlijn bewaart men eene afbeelding van den dodo uit den tijd, toen hij nog leefde. In Praag wordt een snavel van den dodo gevonden; in 1840 werd te Kopenhagen een schedel ontdekt, die afkomstig was van den in 1523 te Enkhuizen overleden BERNARDUS PALUDANUS, en

een kop en een poot waren als kostbare overblijfselen in het Britsche museum ten toon gesteld. De Franschen noemden den dodo oiseau de nausée en hieruit is door verbastering het woord nazarvogel en zelfs nazarenervogel ontstaan. In 1638 werd een levende dodo naar Londen gebracht; na zijn dood werd het dier opgezet en kwam in een museum te Oxford. Bijna geheel vergaan en door de mot verteerd, wierp men den vogel in 1755 als oud vuil w e g ; de kop en een der pooten kwamen echter gelukkig in handen van

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 154

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's