Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 139

2 minuten leestijd

131

heel vcrsch, zoodat men ze nog wel fossiele of opgegraven dieren, maar geen petrefacten of versteeningen meer mag noemen. Tot de oudste dieren der tertiaire of derde periode behooren palaeotherium of dier van den ouden tijd, anopiotherium of ongewapend dier en xiphodon of degentand, die alle op grond van hun gebit tot de orde der dikhuidigen gerekend worden. De beenderen dezer dieren werden omstreeks het einde der 18de eeuw gevonden in de gipslagen van den Montmartre, thans in het N. van Parijs gelegen, en met hunne ontraadseling hield de beroemde, reeds meermalen genoemde G. CUVIER zich jaren lang bezig. Het geslacht palaeotherium gelijkt het meest op onze tegenwoordige tapirs, de neus is slurfvormig verlengd, het lichaam plomp en de bek bevat 44 tanden, waaronder 6 wigvormige snijtanden in boven- en in onderkaak. Evenals de neushorens heeft het aan eiken poot 3 teenen met hoeven ; het leefde hoofdzakelijk van grof plantenvoedsel en bereikte de grootte van een paard. Eene bekende soort van dit geslacht is palaeotherium magnum dat o. a. ook in Wurttemberg gevonden is. Het geslacht anopiotherium, waartoe de in de gipslagen van Parijs gevonden soort anopiotherium commune behoort, heeft evenals het zwijn 22 tanden in elke kaak, waarvan de hoektanden zwak ontwikkeld zijn. De staart is lang en de pooten zijn kort; aan eiken poot bevinden zich twee teenen met hoeven. Volgens CUVIER heeft dit dier, welks kop veel op dien van een paard gelijkt en dat ongeveer de grootte van een hert heeft, uitstekend kunnen zwemmen. Aan een slank fraaigebouwd dier, dat wel iets heeft van eene gems of van eene gazel, doch dat in zijn geheelen bouw de meeste overeenkomst vertoont met ons tegenwoordig muskusdier, gaf CUVIER den naam van bevallige degentand of xiphodon gracile. Het gebit van dit dier, dat ook in de eocene lagen van Parijs gevonden werd, komt over 't geheel met dat der dikhuidige dieren overeen ; de beide hoektanden der bovenkaak staken ver naar beneden uit den bek en waren een weinig naar achteren gebogen. Een geheel ander dier is zeuglodon of juktand, „een schepsel, zegt HERMANN BURMEISTER (1807—1892), dat reeds zooveel namen als vindplaatsen heeft en door lederen waarnemer als een ander dier beschouwd werd". RICHARD HARLAN (1796—1843) hield het

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 139

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's