Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 119

2 minuten leestijd

Ill archegosaurus, hoewel dit woord eigenlijk beteekent stamvaderhagedis. Sommige soorten van dit geslacht, b.v. archegosaurus decheni, die bij Saarbrücken gevonden is en anderhalven meter lang werd, vereenigen kenmerken van hagedissen, salamanders en visschen; zulke soorten van dieren noemt men collectieve soorten. Een zonderlinge visch was pterichthys of vleugelvisch, die in Schotland gevonden is, eene lengte bezat van ongeveer een vierde meter en op geen enkelen der thans levende visschen iets gelijkt. Kop en romp waren met dikke beenplaten, de spits toeloopende staart was met veelhoekige schubben bedekt. De naam vleugelvisch is ontleend aan de vleugelachtige uitbreiding der borstvinnen. De gehoornde vleugelvisch, pterichthys of asterolepis cornutus, droeg bovendien nog twee korte horens of uitsteeksels op den kop. Evenals pterichthys behoort ook de even groote en eveneens in Schotland gevonden cephalaspis tot de pantservisschen, eene uitgestorven familie der glansschubbigen, waarvan onze tegenwoordige steuren de best bekende voorbeelden zijn. De kop van cephalaspis lyelli werd door een halvemaanvorming schild beschermd ; romp en staart waren met duidelijke ruitvormige glansschubben bedekt. Tot dezelfde orde behoorde ook de palaeoniscus, die in een groot aantal soorten bij duizenden tusschen Eisleben en Mansfeld werd opgegraven. De meest bekende soort is de palaeoniscus van Freiesleben of palaeoniscus freieslebeni, die, hoewel zijn staart ongelijklobbig of heterocerk is — eene eigenschap van alle glansschubbigen — veel op een haring gelijkt en genoemd is naar den Duitschen aardkundige JOHANN KARL FREIESLEBEN (1774—1846). Weekdieren, waartoe o.a. inktvisschen, oesters en slakken behooren, waren in de primaire periode zeer talrijk. De hoogst ontwikkelde weekdieren heeten koppootige of cephalopoda, wijl de 8 of 10 vangarmen rondom de mondopening geplaatst zijn. Het geslacht orthoceras of rechthoorn telt bijna duizend, alle uitgestorven, soorten, b.v. orthoceras timidum, die hun naam gekregen hebben naar de lange, rechte, afgeknotkegelvormige schelp. Geheel anders is de gedaante van clymenia, b.v. van clymenia undulata; hier is de schaal spiraalvormig opgerold, gelijk zulks ook het geval is met den thans nog levenden paarlemoernautilus. Veel op mossels gelijken de armpootige weekdieren of brachio-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 119

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's