Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 134

2 minuten leestijd

126

de tusschen de vier pooten uitgespannen vliezen en de onbevederde, waarschijnlijk geheel naakte huid doen hen op vledermuizen gelijken. Aan ieder der vier ledematen bevinden zich 5 teenen. De benedenarm en de buitenste vinger van de voorste ledematen zijn zeer in de lengte ontwikkeld en dienen tot bevestiging en beweging der vlieghuid, die de vier overige vingers der voorste en al de teenen der achterste ledematen vrij laat. Het meest bekende geslacht dezer orde, waarvan meer dan vijftien soorten bekend zijn, draagt den naam van pterodactylus of vleugelvinger. De pterodactylus kon vliegen, loopen en klimmen, bezat een groot borstbeen, twee stevige sleutelbeenderen en een groot aantal tanden, die in tandkassen geplaatst waren. Het dier bereikte de grootte van een zwaan, had een zeer korten staart en 7 halswervels. Verscheiden volledige geraamten ven pterodactyli zijn gevonden bij Solnhofen, Banz en Kelheim in Beieren, alsmede bij Lyme Regis, Stonesfield en Tilgate Forest in Engeland. In verschillende musea, o.a. in de musea van natuurlijke historie te Londen, Parijs, Stuttgart en München kan men fossiele vleugelvingers waarnemen. Van de vele soorten noemen we slechts pterodactylus spectabilis, waarvan zich een volledig exemplaar, dat echter de tanden mist, in Teyler's museum te Haarlem bevindt; pterodactylus suevicus, waarvan een volkomen skelet in 't museum te Stuttgart te zien is en pterodactylus crassirostris of diksnavelige vleugelvinger. Het geslacht ramphorhynchus of snavelsnuit onderscheidt zich van het vorige door het bezit van een langen, aan het uiteinde verbreeden staart en een bek, die nog meer op een vogelsnavel gelijkt. Bij Eichstadt in Beieren is zelfs een ramphorhynchusgeraamte gevonden, waaraan de vlieghuid nog duidelijk kan worden waargenomen. Volgens sommigen zouden deze dieren zich bij voorkeur in het water hebben bewogen. Een der soorten is Zittel's snavelsnuit of rhamphorhynchus of campylognathus zitteli uit de juraformatie, die een krachtig gebit en eene spanwijdte van L5 meter bezat en zeer zeldzaam is. Nog een geslacht van vliegende hagedissen vermelden we hier en wel pteranodon of tandeloos vleugeldier. Dit dier, dat in de krijtformatie van Noord-Amerika gevonden is, was geheel tandeloos; sommige soorten hadden een schedel van 0.75 meter lengte en waren met uitgebreide vleugels 6 meter breed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's

1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 134

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's