1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 120
112 poda, waarvan thans nog slechts weinig soorten leven. Zij hebben met de plaatkieuwigen het bezit van twee schelpen gemeen, doch terwijl men die bij de laatste rechter en linker schelp noemt, moet men ze bij de vastzittende en van twee spiraalvormig opgerolde vangarmen voorziene armpootigen als rug- en buikschelp beschouwen; de laatste is gewoonlijk het grootst, Spirifer striatus of gestreepte spiraaldrager is in Ierland gevonden, stringocephalus of strigocephalus bertine of uilenkop in de Rijnprovincie en productus horridus, zoo geheeten naar de zeer lange stekelachtige buizen aan beide schelpen, bij Gera in Thüringen. De 2 meter lange en 0.4 meter breede seraphimkreeft werd door de werklieden, die hem in den ouden rooden zandsteen in het O. van Schotland vonden, zoo genoemd, wijl zij zijne lange, van scharen voorziene pooten met engelenvleugels vergeleken. Het lichaam is verdeeld in ringen en eindigt in een breeden roeistaart. Dit geweldige kreeftachtige roofdier, waaraan L. J. R. AGASSIZ (1807—1873) den naam gaf van pterygotus anglicus, is in geene der jongere perioden teruggevonden. De trilobieten, op molukkenkreeften gelijkende schaaldieren of Crustacea, waarvan reeds bijna 2000 soorten bekend zijn en die vooral onderzocht werden door den Franschman JOACHIM BARRANDE (1799—1883), komen vooral in Bohème en in NoordAmerika en wel hoofdzakelijk in de cambrische formatie voor. Hun naam beteekent drielappigen en is ontleend aan de omstandigheid, dat het rugschild door twee insnijdingen, die van kop naar staart loopen, in drie stukken verdeeld is, waarvan het middelste het hoogste is. Ook onderscheidt men aan dit schild een voor-, middel- en achterstuk, ook wel kop-, borst- en staartschild geheeten ; het eerste is dikwijls sikkelvormig, het tweede steeds duidelijk geleed. De twee samengestelde oogen, die echter ook wel eens ontbraken, waren zeer groot en bevatten dikwijls eenige duizenden lenzen. Vele trilobieten konden zich oprollen ; zeer bekende soorten zijn Boheemsche trilobiet of paradoxides bohémiens, dikkoppige trilobiet of hydrocephalus carens, zonder oogen, en breedkoppige trilobiet of phacops latifrons, die zeer groote oogen bezat en veel in den Eifel is gevonden. In jongere lagen dan die der primaire periode zijn geen trilobieten meer ontdekt. Dit laatste kan ook gezegd worden van de graptolithen of
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's