1910-1911 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 143
13b ook wel dier van Paraguay genoemd werd en waaraan door ANSELM GAÉTAN DESMAREST (1784—1838) ter eere van G. CUVIER, die dit monster het eerst wetenschappelijk onderzocht, de naam gegeven werd van megatherium cuvieri, het groote dier van CuviER. Deze „koning der luiaards" bereikte eene lengte van 5 en eene hoogte van 2.5 meter, was met lange haren bedekt, bezat sterk ontwikkelde sleuteibeenderen en had vier ledematen, waarvan de achterste nog plomper en dikker waren dan de voorste. Aan de voorpooten bevonden zich 5, aan de achterpooten 4 teenen, meerendeels van zeer lange en stevige nagels of klauwen voorzien. De kop was betrekkelijk klein en de hals kort; in den bek bevonden zich 9 kiezen, n.l. 5 in de boven- en 4 in de onderkaak. De lange, dikke en bizonder krachtige staart diende het dier ongetwijfeld tot steun, wanneer het, op zijne achterpooten staande, met de voorpooten hoog tegen een boom leunde om zich met de bladeren te voeden. Jonge boomen, wier loof hij begeerde en die den druk van zijn lichaam niet konden dragen, werden gemakkelijk met behulp van zijne klauwen ontworteld. Ongetwijfeld was het een plomp en leelijk maar vreedzaam dier, dat uitsluitend van plantenvoedsel leefde, zeer langzaam was in zijne bewegingen en een groot herstellingsvermogen bezat, Het eerste volledige geraamte van megatherium werd in 1789 gevonden in de pampasklei bij de stad Buenos Ayres en bevindt zich thans te Madrid. Later werd ten W. van genoemde stad bij het dorp Lujan of Luxan, eveneens in de pampaskleilaag, een tweede, iets minder volledig skelet ontdekt, dat tegenwoordig te Londen in het natural history museum te zien is. Ook het museum te Milaan bezit een vrij volledig geraamte van dezen luiaard. Iets kleiner was de niet met haren, maar met been- en hoornschilden bedekte mylodon robustus, reuzenmolentand of reuzenluiaard, die overigens veel op megatherium geleek en de grootte had van een nijlpaard of van een neushorn. Het eerste volledige geraamte van dit dier werd in 1841 uit de pampasklei ten N. van Buenos Ayres opgegraven en wordt te Londen bewaard. Nog een weinig kleiner was een derde geslacht uit de familie der luiaards, dat naar de 3 zeer lange klauwen aan voor- en achterpooten den naam van grootklauw verkreeg. Overblijfsels
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 238 Pagina's