Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 162

2 minuten leestijd

156 voortbestaan na dit leven aannamen ; men zou dit namelijk kuneen opmaken uit het feit dat sommige der gevonden beelden veel van afgodsbeelden hebben en dat aan gestorvenen sieraden en wapenen meegegeven werden in het graf. De volksstammen of rassen van den diluvialen tijd stonden echter niet alle op denzelfden trap van beschaving en verschilden ook lichamelijk in menig opzicht. Dit kan ons niet verwonderen, want in den tegenwoordigen tijd is het niet anders. De meeste archaeologen nemen thans aan dat er tijdens de oudere steenperiode op zijn minst twee menschenrassen in Europa geleefd hebben, waaraan men de namen gegeven heeft van Neanderdalras en Aurignacras. De eerste naam is ontleend aan het reeds meermalen genoemde Neanderdal, alwaar in 1856 de veel besproken schedel gevonden werd. De tweede naam komt van het vlek Aurignac ten N.O. van St. Gaudens in het departement Haute-Garonne, waar in 1852 in eene door een steen afgesloten grot of begraafplaats naast een aantal vuursteenwapenen en bewerkte rendiergeweien 17 menschengeraamten gevonden werden, die op last van den burgemeester er uit werden gehaald en op het dorpskerkhof ter aarde werden besteld. Toen E. Lartet 10 jaren later hier een onderzoek instelde, kon men hem niet meer zeggen waar ze begraven waren. Voor den ingang van de grot lagen talrijke opengeslagen en half verbrande beenderen van hoienbeer, neushoren, mammoet, wolf, varken, reuzenhert, rendier, paard, wisent; de drie laatstgenoemde dierensoorten waren het talrijkst vertegenwoordigd. E. Cartailhac, die deze grot in 1870 onderzocht, is van meening dat de dooden, die hier eens werden begraven, tot het neolithische, het jongere steentijdvak hebben behoord. Het Neanderdalras, dat o.a. vertegenwoordigd wordt door den schedel uit dat dal, door de onderkaak van La Naulette, de geraamten uit de grot van Spy, de geraamten van Krapina, den mensch van Moustier, de onderkaak van Mauer, het geraamte van La Chapelle-aux-Saints en den mensch van La Ferrassie, stond zoowel lichamelijk als verstandelijk op lager trap dan de andere diluviale rassen, leefde vooral tijdens het eerste gedeelte der palaeolithische periode — dus in het acheuléen en het moustérien van G. de Mortillet — en breidde zich uit over een groot gedeelte van Europa. Een achteruitwijkend voorhoofd, vooruitstekende

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1911-1912 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 162

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's